Bloedboek van Dimitri Verhulst
Recensie door Guus Bauer (4 november 2015)
De Vlaamse schrijver Dimitri Verhulst (1972) weet vaak raak te schieten met zijn cynisme, heeft zogezegd ‘de tekst met een knipoog’ vervolmaakt. Als geen ander heeft hij door dat je grote thema’s prima kunt aansnijden in het banale. Dat is in zijn oeuvre meermaals zeer effectief gebleken. Voor zijn nieuweling Bloedboek heeft hij teruggegrepen op de eerste vijf Bijbelboeken. De verhalen in het Oude Testament over de genesis, over de verspreiding van de volkeren, de ballingschap in Egypte, het beloofde land en het verstrekken van de leefwetten zijn over het algemeen nog wel bekend, maar worden nog maar zelden bewust aangehaald.

De Bijbel, nog steeds een van de best verkochte boeken aller tijden, bevat alle elementen van een superthriller: moord en doodslag, jaloezie, wraak, zonde, hebzucht, overspel, liefde, seks en ga zo maar door. Een bron waaruit het gemakkelijk putten is. Beweegreden voor Verhulst om deze teksten te hernieuwen is dat hij de verhalen terug wilde geven aan de taal. Bij herlezing had hij zich daarnaast verbaasd over de gruwelijke details en hilarische eigenaardigheden die uiteraard tot op de dag van vandaag herkenbaar zijn. Niets menselijks is ons vreemd.

Over de inhoud van het boek behoeft eigenlijk niets gezegd te worden. Adam en Eva, Kain en Abel, Mozes en de rest van de enorme stamboom der mensheid. Ondanks dat je al die geschiedenissen ooit misschien al hebt gehoord, of verplicht hebt moeten lezen, blijven ze boeien. Niet zozeer (meer) vanuit religieus oogpunt, maar door de verhaaltechnische aspecten. De Bijbel als een verdomd goed geschreven boek.

Verhulst gooit een vette Vlaamse saus over de tekst. Woorden als ‘effenaf’, ‘flinkheel’, ‘tokkerachtig’, ‘bekotebikkerde’, ‘ribbedebie’ en ‘pardaf’ en uitdrukkingen als ‘uit je krammen schieten’, ‘naar binnen spelen’, ‘op niet te veel trekken’, ‘malsigs liggen braiseren’ behoeven voor de niet geoefende lezer (lees: den ocharme Ollander) wat gewenning. Je voelt aan wat er wordt bedoeld, maar het versterkt toch ietwat het idee van louter lolligheid. Het totale boek heeft iets kolderieks. Maar ja, daar is op zich niets op tegen. (In zekere zin levert het een dubbelspel op: enerzijds hernieuwde aandacht voor oude verhalen en anderzijds een zekere spot aangaande het christelijke geloof. ‘Isaak is het poepescheetje van de Heer.’ ‘Israel legde zeven lussen in zijn lul.’)

Soms is Verhulst ronduit flauw. ‘De jaren verstreken, want daar zijn jaren altijd al goed in geweest.’ Wanneer de protagonisten weer eens van land moeten verkassen over Gods ondoorgrondelijke wegen, doen zij dat steevast met de oubollige hymne De paden op, de lanen in, vooruit met flinke pas. Met stralend oog, en blijde zin en goedgevulde tas. Dat is misschien, héél misschien, eenmaal leuk en/of aardig. Tja, het is een lange weg naar Tipperary. (Zoals ook eenmaal jolig ten berde gebracht.)

Mozes heeft van God zijn wetten gekregen.

De God die mij heeft gezonden heet Isenwasenzal. Isenwasenzal. Isen, voor de vrienden. [ … ] Ik had een missie, handjes in de lucht, hoera, zingerdezing, zangerdezang, en zou mijn eenvoudige en veilige leven en dat van mijn gezinsleden helemaal door elkaar shaken.

Het gebruik van moderne uitdrukkingen, straattaal zo men wil, zorgt wel voor de hoognodige vervreemding, de serieuze oude klanken die even worden afgestoft. ‘Ruben, de stepmodderfokker.’ ‘Sippora, de multitaskende vrouw.’ Er wordt wat afgekakeld in die Bijbel. Dat heet in de versie van Verhulst quatsch en kaffeeklatsch. Een hoofdstuk wordt afgesloten met: ‘De punt stond op de i, de corona op de å.’

Het is lastig raden wat de schrijver met deze hertaling beoogt, anders dan het aanscherpen van zijn idioom. Er staat ‘roman’ op het omslag. In taaltechnische zin valt dat te begrijpen, maar – en dat is ook moeilijk wanneer je úitsluitend het vaste stramien van een iconisch boek gebruikt – erg veel van de mens Verhulst vind je er niet in terug. Het boek is opgedeeld in twee delen: De soap van de aartsvaders en Mijn veldtocht. Juist in dat tweede deel verwacht je meer te zien van de inborst van de auteur, niet uitgesproken, maar tussen de regels. (Zoals wanneer Mozes God met ‘onze Dictator’ aanspreekt.) De ontstaansgeschiedenis die in de veldtocht van de schrijver uitkristalliseert.

Dit alles neemt niet weg dat je op een of andere mindere manier deze tekstinterpretatie toch uitleest. In het nog steeds goedgelovige zuiden van het land zal Bloedboek wel weer voor ophef zorgen, net zoals, alleen al vanwege de titel, Godverdomse dagen op een godverdomse bol, de met de Libris Literatuur Prijs bekroonde bestseller van Verhulst. En dat heeft dan wel weer iets. Verhulst houdt wel van een spelletje met de lezer, met de boekhandel en de media. Ook met de uitgever soms?