Bloedbroeders van Ernst Haffner
Recensie door Guus Bauer (24 oktober 2014)

Is er een uitweg?

Over Ernst Haffner is weinig bekend. Hij is geboren in 1900, maar na 1938 ontbreekt elk spoor. Het zou goed kunnen zijn dat hij door de nazi’s is weggemoffeld, maar er zijn geen documenten van hem bewaard gebleven, behalve zijn belangrijkste werk: een roman over een jeugdbende in Berlijn. Een meesterwerk dat wat sfeer betreft aan Wat nu, kleine man? van Hans Fallada doet denken.

Haffner werkte van 1925 tot 1933 als sociaal werker en journalist in Berlijn. Duitsland voelde in die dagen nog de naweeën van de Eerste Wereldoorlog en de wereldwijde beurskrach. Er zwierven duizenden daklozen door de hoofdstad, velen van hen waren kinderen of adolescenten, afkomstig uit door de oorlog ontwrichte gezinnen. Slachtoffers ook van de naoorlogse onrusten en de economische malaise veroorzaakt door de immense inflatie die deels te wijten was aan de straffe herstelbetalingen. Enorme sommen waarvan het eigenlijk vanaf het begin wel duidelijk was dat die door een failliet land niet konden worden opgebracht.

Haffner schreef in 1932 over de aan hun lot overgelaten of uit tehuizen gevluchte zwerfkinderen de niets aan de verbeelding overlatende roman, die oorspronkelijk de titel Jugend auf der Landstrasse Berlin meekreeg. Toen Hitler een jaar later aan de macht kwam, belandde een groot deel van de oplage op de brandstapel. In 2013 is het boek opnieuw ontdekt en als Blutsbrüder. Ein Berliner Cliquenroman heruitgegeven.

Een titel (In het Nederlands Bloedbroeders) die heel goed de lading dekt, want de roman verhaalt over een jeugdbende rond de leiders Jonny en Fred en de hoofdpersoon Willi. Alleen is maar alleen in zo’n grote stad en dan blijft er bijna niets anders over dan als lustknaap aan het werk te gaan. Om niet van de honger te verkommeren en niet hun lichaam te hoeven verkopen, sloten jongens zich bij elkaar aan. Deze jeugdbendes werden te vuur en te zwaard door de autoriteiten bestreden. Maar, zo blijkt ook uit de roman van Haffner, de kameraadschap was oprecht. De jongens vonden er onvoorwaardelijke vriendschap en een zekere vorm van protectie.

‘Acht jongens tussen de zestien en negentien. En paar zijn uit het opvoedingsgesticht ontsnapt. Twee hebben ergens in Duitsland nog ouders. Een enkeling heeft nog een vader of een moeder. Hun geboorte en hun vroegste jeugd vielen in de oorlog en de periode vlak daarna. [ … ] Hun vader lag te velde of stond al op de lijst met vermisten. Moeder draaide granaten of hoestte per centigram de longen uit haar lijf in de kruit- en springstoffabrieken. En de kinderen met hun koolraapbuikjes – het waren niet eens meer aardappelbuikjes – loerden op de binnenplaatsen en op straat naar iets eetbaars. Toen ze wat groter waren, gingen ze in roedels op rooftocht.’

Boosaardige kleine roofdieren in de ogen van de overheid. Haffner schetst de ware aard van de wereld waarin ze zijn beland en de inventieve manieren waarop ze een beetje warmte, kleding en eten weten te bemachtigen. Het is de flexibiliteit van de jeugd die hen feitelijk redt. Jongens en een enkel meisje die liever in een onzekere vrijheid aan een sigaretje lurken en af en toe wat drank weten te bemachtigen, dan dat ze in een opvoedingsgesticht een hongermaaltje krijgen en – al is het maar uit voorzorg – streng worden aangepakt. Ook al hebben ze daar wel een dak boven het hoofd en een strozak om op te slapen. Een kwestie van volhouden tot je eenentwintigste en daarna kunnen ze je niets meer maken.

Willi Kludas is het zat in het gesticht en besluit uit te breken. Hij klimt ’s nachts over de muur en rent en rent, net zolang tot hij in de nabijgelegen stad in een goederentrein uitgeput in slaap kan vallen. Een eveneens meereizende wenszwerver vertelt hem ’s ochtends de harde waarheid. Hij is de verkeerde kant opgegaan. Ze zijn vlakbij Keulen, maar er is een manier om snel en ongezien terug naar Berlijn te komen: op de as van een sneltrein. Levensgevaarlijk. In slaap vallen op de as betekent een wisse dood. Net zo goed als een opspattende kei een voortijdig einde kan maken aan de reis. De zwerver deelt zijn kennis en zijn spullen met de jongen. Of dit in het echte leven ook zou gebeuren? Laten we vooral in het goede van ‘de eenvoudigen’ onder ons blijven geloven. Daar drijft dit ijzersterke boek op.

In Berlijn is ook zijn enige jeugdvriend afgevoerd naar een gesticht. Maar Willi is vindingrijk. Bovendien heeft hij nog een zo goed als nieuw jack dat hij in de warmtehal voor een paar mark kan verpatsen. De kou, de winter is vroeg en met volle vorstkracht ingetreden, is een van de ergste vijanden van de daklozen. In combinatie met de honger maakt dit mensen meedogenloos. Ja, de jongens doen aan zakkenrollerij en stelen eten, maar ondanks alles staan ze voor elkaar klaar. Het valt te vrezen dat het in het echt toch iets meer het adagium ´ieder voor zich en god voor ons allen´ gold. Daarom geeft dit boek zo te denken. Ik zei het al vaker, maar herhaal het hier nog een keer: in ware meesterwerken zit altijd een brok menselijkheid verborgen, hoe verscholen dan ook.

Een meerderjarige jongen, Ulli, heeft een tuinhuisje vlak bij de gemeentewerken van Berlijn. Daar waar de stad nog niet is doorgedrongen. Een ideale uitvalsplek voor de bende. Ulli heeft zijn tienerjaren overleefd. Een periode waarin hij verbitterde strijd heeft gevoerd met de politie, baanwachters, de kinderbescherming en wrede opzichters in instituten. Zijn uitspraak lijkt voor elk van de jongens te gelden: ´Creperen van de honger! Geen probleem, maar wel waar ík wil!´

De jongens steunen elkaar. Wanneer Ludwig, een van de bloedbroeders, onterecht wordt veroordeeld tot een paar maanden gevangenisstraf – een volwassene piepelde hem met een gestolen bagagebiljet – krijgt de dader nadat hij uiteindelijk gevonden is, een ongenadig pak slaag op zijn blote reet. Iets dat later vooral Willi en Ludwig nog gaat opbreken.

Wanneer de bende op grote schaal aan zakkenrollerij gaat doen, besluiten die twee om stilletjes te verdwijnen. Aan dergelijk ‘fabrieksmatig werk’, puur voor de poen, niet meer om te overleven, willen ze niet meedoen. Ze beginnen een klein schoenenreparatie-bedrijfje.

Door arrestaties valt de bende uitelkaar. Een overgebleven lid geeft zich aan bij de politie. Hij ziet geen uitweg meer.

‘Hij zal niet meer wegdromen en de kwelling van het gestichtsleven alleen nog in stilte dragen. En op zijn eenentwintigste verjaardag, misschien wegens goed gedag wel eerder, verlaat een mens zonder ruggengraat, een geboren knecht, de instelling, om het gevecht met het leven te beginnen. ‘

Altijd met de hoed in de hand en het hoofd gebogen. De ideale knechten voor het leger van een nieuwe machtswellusteling. Die, zoals gevoeglijk bekend, niet veel later zou opstaan.