Bloedkrans van Albert Hagenaars
Recensie door Ezra de Haan (19 mei 2012)

Een wereld van dwarse woorden

Albert Hagenaars debuteerde met de dichtbundel Stadskoorts (1979), schreef vervolgens Spertijd (1982) en Intriges (1986) en de romans Dood tij (1988) en Butijn, het boze oog (1992). Vierentwintig jaar na zijn debuut verscheen Tropendrift/ Tropical drift (2003). Bloedkrans, een vervolg op Tropendrift, heeft de dichter ‘slechts’ negen jaar gekost. Ook in zijn laatste bundel komen liefde, lust en dood weer samen in een weefsel van herinneringen, politiek en religie. Wat Bloedkrans onderscheidt van Tropendrift is het thema van de vruchtbaarheid.

Als je de foto van een padie, een rijstveld, op de omslag van Bloedkrans bekijkt, denk je even met een misdruk van doen te hebben. De kleuren vermiljoen, karmozijn, scharlaken en purper knallen je tegemoet. De handen van de rijstplanters lijken zich in bloed te dopen. Natuurlijk is het geen misdruk maar opzet, dat maakt het eerste gedicht al duidelijk.

Witte donderdag 1955 (fragment)

Rood wordt roder op wit, paars met Pasen.
Moeders verse wond gaf zin aan mijn mond,
openend op een wereld van dwarse woorden.


In één gedicht beschrijft Hagenaars de toestand van de wereld op zijn geboortedag. Mooi is hoe hij het woord zin gebruikt. Het is niet alleen zin geven maar ook doen spreken. Ingenieus is ook hoe hij het gedicht laat lopen door klankrijm, eindrijm en binnenrijm te gebruiken. Eigenlijk valt het niet eens op dat hij het doet, hoogstens dat het soepel leest.

Albert Hagenaars heeft met Bloedkrans een zeer doordachte bundel geschreven. Het begint al met de titel die op het eerste gezicht weinig oproept. Pas nadat je de bundel gelezen hebt, weet je dat bloed of de kleur daarvan bijzonder vaak voorkomt. Je begrijpt dan pas dat krans voor cirkel staat, of zoals de Duitsers dat zo mooi zeggen een Werdegang. Niet voor niets begint de bundel met de geboorte en eindigt het laatste gedicht met de dood. Daar tussenin maken we een leven mee. Misschien kun je deze gedichtenbundel daarom ook het best vergelijken met een rij fotoboeken zoals iedereen die vroeger in de kast had staan. Die begonnen met de babyfoto’s, de kiekjes van grootouders en ouders en vervolgens kwamen dan de vakantieherinneringen. Hagenaars beschrijft zijn leven en dat van hen die hij liefhad en heeft in gedichten. Die gedichten zijn enorm gecomprimeerd geschreven. Ze beschrijven jarenlang verblijf of stapels ervaringen. En toch staat er geen woord teveel.

De verzenkast (fragment)

’s Nachts kent de kamer met wanden
van boeken een glans van stemmen
die zo vaak vertellen als gewenst
wat er in de wereld buiten gebeurt en hoe

dat moet herleid tot krans van berusting.


De dichter moet als een Slauerhoff lang onrustig zijn geweest, gezien de landen die hij bezocht. Zelf dicht hij: ‘En joeg verder, andere lokkende landen in/ spiegelend wat de mens zichzelf onthoudt.’ Alleen de titels van de gedichten vormen al een wereldreis die van Parijs en Porto naar New York, Holland en Salt Lake City naar Los Angeles leidt. Vervolgens van Suez en Jeruzalem naar Nazca, Titicaca, Praag en Boston naar Mexico City. Dan komt Azië aan de beurt: Kun Ming, Macau, Hanoi, Hue, Danang en eindigen we in Yogyakarta. Eindelijk thuis zou je bijna zeggen. Wie de steden kent, herkent ze in de nauwkeurig gekozen woorden van Hagenaars. Waar hij ook komt, speelt het bloed een rol en kleuren de pagina’s dan weer karmozijn of purper als ze niet donkerrood of vermiljoen willen worden. In ieder gedicht proef je het denken dat daaraan vooraf is gegaan. Zodra je ze leest opent zich een wereld voor je.

Bijna zou je denken dat alleen verre reizen Albert Hagenaars tot schrijven kunnen brengen. Niets is minder waar. Ook de gedichten die van heel dichtbij komen, maken grote indruk. Neem de reeks familieportretten gevormd door Oma Jaantje, Opa Bart, Oma Kee en Opa Rinus. Je zou wensen dat meer dichters hun familieleden op deze wijze in taal wisten te bewaren. Hoe eerlijk geschreven, hoe goed getypeerd. De meest geslaagde van de vier, al is het lastig kiezen, is het gedicht over Opa Rinus.

Opa Rinus (fragment)

Je was niet de eerste dode naar wie ik keek,
wel de eerste die ik als zodanig zag.

Je sloeg m’n ma ooit door een keukenraam,
wat we nog lang konden horen.

Jouw drift werd de hare en toen de mijne.
Jij kneedde die tot zoet brood voor je klanten,

zij tot een liefde met een moeilijke naam voor een man
en kinderen en ik tot zinnen die moeten verzinnen.


Albert Hagenaars heeft een indrukwekkende gedichtenbundel geschreven. Ieder gedicht staat op z’n plaats en doet ertoe. Het is te hopen dat we sneller dan voorheen een vervolg mogen verwachten. Tot dan zal ik deze bundel nog regelmatig herlezen.