Bloemen der duisternis en Het tijdperk der wonderen van Aharon Appelfeld
Recensie door Guus Bauer (6 juli 2009)

Direct en tegelijk subtiel

De nog steeds zeer productieve Israëlische schrijver Aharon Appelfeld (1932) vertelt wel vaker vanuit het perspectief van een prepuber. Dit jaar verscheen in Nederland het prachtige Bloemen der duisternis, oorspronkelijk uit 2006. De elfjarige Hugo moet tijdens de Tweede Wereldoorlog onderduiken. De deportaties uit het getto zijn in volle gang. De meeste van zijn vriendjes gaan ‘de bergen in’. De moeder van Hugo heeft in een naburig dorp een vriendin van de lagere school. Die vangt de jongen op in haar huis van plezier. Hij krijgt een achterkamertje, waar hij alleen maar uit mag als zij geen klanten heeft.

Een magistraal boek over aanpassen en liefde. Maar ook over de afhankelijkheid, zowel van de publieke vrouw als van de onderduiker. Niet alleen van elkaar, maar ook van de buitenwereld. De jongen leert in een rap tempo over de wreedheid van het leven, maar ook over opoffering. De vrouw legt al haar tederheid in het verzorgen van de jongen, een compensatie voor de brute behandeling die ze vaak krijgt. De beelden van Appelfeld zijn indringend, zijn taalgebruik is direct en tegelijkertijd subtiel en draagt bij aan de steeds toenemende spanning.

Wanneer de huiszoekingen dichterbij komen:
De ring werd steeds strakker aangetrokken.

De moeder van Hugo bij het afscheid:
‘Lieve Hugo, zul je altijd rustig en beleefd zijn, niemand lastigvallen met vragen en niet om iets vragen. Zeg altijd netjes alstublieft en dank u wel,’ zei ze en de woorden werden in haar mond gesmoord.
( )
‘Is het ver naar het dorp?’ vroeg hij en verbrak daarmee meteen de eerste regel die zijn moeder hem had ingeprent.


Wanneer Hugo in zijn achterkamertje zonder ramen en zonder kachel zit:
‘Er is een andere manier van begrijpen in de wereld gekomen.
( )
Hugo zag zijn ouders kristalhelder voor zich. Het verre verleden, dat zich tot nu toe verborgen had gehouden, had zijn omhulsels afgegooid en stond voor hem, het keek hem recht in zijn gezicht.
( )
Ten slotte veranderde het huilen in het onderbroken janken van een hond die uit een warm huis in zijn hok is gesmeten.


In Appelfelds roman Het tijdperk der wonderen (eerste uitgave 1978, vertaling 2008) is de vader van de twaalfjarige Bruno A. een gerenommeerd schrijver in het Oostenrijk van de jaren dertig van de vorige eeuw. Hij is van joodse afkomst, maar beschouwt zich als een volledig geassimileerd Oostenrijks intellectueel. Naarmate het antisemitisme toeneemt, verschanst de auteur zich in zijn geschriften. Allereerst sluit hij zich op in zijn werkkamer. Met een ongekende schrijfwoede probeert hij tegen beter weten in het barbarisme te bestrijden. Hij start procedures tegen de ‘afbraakartikelen’ die steeds meer in de pers over zijn werk verschijnen. Hardnekkig blijft hij volharden: hij wil beslist in Oostenrijk blijven.

Uiteindelijk sleept hij zijn gezin mee op reis naar een studievriend, een edelman die lange tijd literair actief was. Deze weigert het gezin op zijn landgoed te ontvangen. Ten slotte vertrekt de schrijver naar Wenen waar hij bij de barones met de veelzeggende naam Von Druck onderdak vindt in haar ‘literaire salon’. De moeder van Bruno is al jaren eerder voor haar huwelijk en de veranderende omstandigheden gevlucht in altruïstisch werk. Ze maakt sandwiches voor passerende joodse handelsreizigers, verstrekt kleding, bezoekt ziekenhuizen en psychiatrische instellingen. Ze neemt het weesmeisje Helga in huis op. Zelfs dit onbaatzuchtige werk weet men te verketteren.

In het tweede gedeelte van het boek gaat Bruno dertig jaar later vanuit Jeruzalem op bezoek in zijn geboortedorp om te proberen de beweegredenen van zijn vader te doorgronden. Zelf is Bruno kinderloos en heeft net als zijn ouders ook een ongelukkig huwelijk.

Dit is naast een roman over de dictatuur als sluipmoordenaar, ook een boek over de onmacht van de intellectueel en hoe die daaronder lijdt. De ontkenning blijkt dus toch niet te werken als overlevingsmechanisme.