Boom van Wanda Bommer
Recensie door Guus Bauer (24 januari 2008)

‘I came into an empty room, and suddenly the room says boom’

Zojuist is de debuutroman Boom van Wanda Bommer verschenen. Wetend dat zij als ‘boeker’ werkzaam is in de muziekindustrie, dacht ik gelijk aan de boven geciteerde regel uit een nummer van Annie Lennox, voormalig frontlady van het Engelse succesduo Eurythmics. Annie zingt over een persoon die een overweldigende kracht ervaart bij de eerste ontmoeting met een toekomstige liefde. Een explosie als het ware.

De titel van Wanda Bommers eersteling verwijst echter eerder naar de voornaam van een van de hoofdpersonen. Een gitarist van zesendertig jaar, zo te lezen wel een eik van een knaap: Boom van Hout. Hij is de spin in het web waarin twee zussen van in de twintig en hun moeder Agnes verstrikt raken. (Heeft patenthouder Martin Bril wel ingestemd?)

De vader van de twens ziet zijn toekomst somber in: nog meer dan vierduizend dagen bij de drukkerij waar hij al decennia werkt. Hij steekt zichzelf in een nieuw vel en fixeert zich op een jong aanstormend zangeresje.

Boom lijkt het zoveelste verhaal over moeizame relaties, midlifecrisis en het onvermijdelijke uitbreken uit de sleur van alle dag. Probleemsituaties waar bijkans heel Nederland in verwikkeld is. Bovendien zijn er hele bossen geveld om de boeken over dit onderwerp in de grenen kasten van de boekhandel te krijgen.

Toch is dit debuut hoopgevend. Weliswaar tuimelen de vele verwikkelingen over elkaar heen, maar Boom is, in tegenstelling tot zoveel romans van nieuwe schrijvers de laatste tijd, gelukkig niet lineair geschreven. Het is op het randje gecomponeerd, net niet gekunsteld. Daarnaast heeft Wanda Bommer mij helemaal voor zich ingenomen door op pagina 169 de moeder te laten verzuchten: ‘Daarbij, stel je voor: de penopauzerende echtgenoot maakt zijn roadiedebuut, terwijl zijn wettige echtgenote in dezelfde feestzaal rondhangt met haar geheime minnaar, zijnde de vriend van hun jongste dochter. Als je een dergelijke situatie in een boek zou schetsen, dan zouden de lezers afhaken omdat het te ver gezocht was.’

Een mooie ‘tongue in cheek’, die zo uit de koker van leermeester Thomas Verbogt lijkt te komen. Zoals gebruikelijk, en waarschijnlijk ook noodzakelijk tegenwoordig, ronkt deze een aantal niet mistenverstane aanbevelingen op het omslag: ‘een inktzwarte komedie vol sappig venijn’, ‘bedrieglijk lichtvoetig’ en ‘een verhaal dat je op je hielen blijft zitten’.

Ontegenzeggelijk heeft Wanda Bommer een vlotte pen waardoor de ‘werkelijkheid die de fantasie inhaalt’ geloofwaardig blijft. Het slot heeft iets van ‘eind goed, al goed’. Jammer, want het einde van hoofdstuk 32, zowel als de slotregel van hoofdstuk 33, zijn ijzersterk en hadden nog iets meer aan de fantasie van de lezer overgelaten.

Ik hoop dat Wanda Bommer er onder het motto ‘minder is meer’ in haar volgende boek iets minder de beuk ingooit. Dat die roman er komt, lijkt slechts een kwestie van tijd, want schrijven kan ze wel.