Bovenlicht van José Saramago
Recensie door Guus Bauer (5 augustus 2013)

Een vermomde geleerde

De Portugese schrijver José Saramago (1922–2010) ontving in 1998 de Nobelprijs voor de Literatuur. Het comité van de Zweedse Academie motiveerde de beslissing als volgt: ‘Saramago dankt de Nobelprijs aan zijn verbeeldingskracht, de ironie die hij aan de dag legt en zijn grote vermogen met de mens mee te voelen.’

Bijna was de schrijverscarrière van Saramago in de knop gebroken. Na het verschijnen van zijn debuut in 1947, Land van de zonde, een rurale roman over een weduwe die alleen een hoeve dient te bestieren, bleef het decennia stil. Hij vluchtte in journalistiek en redactioneel werk. Naar nu blijkt mede vanwege het uitblijven van ook maar een enkele reactie op zijn tweede roman die hij eind jaren veertig, begin jaren vijftig inleverde. Het boek verschijnt nu na zestig jaar alsnog postuum, in Nederland onder de titel Bovenlicht.

Het manuscript was lange tijd spoorloos en dook enige jaren terug plotsklaps op. Saramago kreeg een telefoontje en haalde de getypte vellen in sneltreinvaart op. Zijn weduwe Pilar del Rio in een voorwoord in de Spaanse editie: ‘een pak getypte vellen, door de tijd niet vergeeld of aangetast, misschien omdat de tijd meer ontzag had gehad voor het manuscript dan degenen die dat in 1953 in handen hadden gekregen.’

Saramago, die inmiddels veertien gelauwerde romans had geschreven, wist niet goed wat hij met de tekst aanmoest. Uiteindelijk gaf hij toestemming om de vroege roman na zijn dood alsnog te publiceren. Gelukkig maar. Voor zijn fans is Bovenlicht een vingerwijzing naar zijn latere werk en thematiek, voor diegenen die onbekend zijn met de schrijver een goede introductie. Bovenal is het een sterke roman.

De personages en de setting lijken uiterst simpel: doorsnee burgers in een appartementencomplex in Lissabon ergens in het midden van de jaren vijftig van de vorige eeuw. De ‘hoogtijdagen’ van de Estado novo van de dictatoriale regeringsleider Antonio de Oliveira Salazar. Diens geheime politie bruuskeerde na de Tweede Wereldoorlog op steeds grotere schaal de burgerbevolking totdat er vrijwel geen elementaire rechten meer overbleven.

We maken kennis met een schoenmaker die zichzelf filosofisch heeft geschoold en met zijn vrouw die met gemak een hele deuropening vult. Omdat ze de eindjes maar nauwelijks aan elkaar kunnen knopen, nemen ze de jeugdige vrijbuiter Abel in huis. In het trappenhuis wonen verder een vrouw die door een zakenman wordt onderhouden, twee jonge vrouwen die met hun moeder en tante samenwonen, een zetter bij een krant met een kenau en een ziekelijk kind en een weinig succesvol vertegenwoordiger en zijn buitenlandse (Spaanse) vrouw die altijd amok maakt.

Nogal wat scheve fundamenten. Saramago wisselt vlotjes van perspectief, maar eigenlijk maakt het weinig uit wie er aan het woord is. De schrijver laat ons fijntjes alle hoeken van het intermenselijk falen zien. Je vraagt je constant af hoe je zelf in een dergelijke situatie zou reageren. Dit boek klinkt en voelt als een fado. Het is een tekst waarin je je wilt nestelen. Het verhaalt over de wetenswaardigheden van een paar mensen, maar is tegelijkertijd een onderhuidse aanklacht tegen een regime dat via censuur en verklikkers van mensen zwijgende burgers maakte.

Bovenlicht is tegelijk soepel en nauwgezet geschreven. Het is een laconiek verslag van een verstikkend stadsleven en de mens, van nature flexibel, die op een of andere manier een uitweg weet te vinden uit het isolement.

Saramago is in deze roman een meester in het aloude adagium show, don’t tell. Via het personage Abel lijkt hij daarbij zijn eigen angsten en obsessies naar buiten te hebben willen brengen. De schrijver als angry young man. Had uw recensent/uitgever begin jaren vijftig reeds zijn professie uitgeoefend, dan was hij subiet met rode konen naar zijn drukker gerend. Wat een verhalenverteller! Bovenlicht is een ogenschijnlijk klein geluid dat ver draagt.

‘Wie kan zeggen dat hij ten volle leeft? Allemaal dragen we op onze schouders het juk van de monotonie en allemaal koesteren we onze hoop. De duivel mag weten welke hoop, maar hopen doen we allemaal! Sommigen vager dan anderen, maar de hoop is van iedereen...’