Cucuisa cabisha = Als de aloë sluimert van Quito Nicolaas
Recensie door Ezra de Haan (1 maart 2016)
Quito Nicolaas, San Nicolas, Aruba (1955) studeerde Culturele en Maatschappelijke Vorming te Amsterdam. Hij was, samen met Libèrta Rosario, de bedenker en oprichter van een schrijversgroep die een podium vormde voor de nieuwe generatie Caribische schrijvers en dichters. In 2003 werd de stichting Simia Literario (Literair zaad) opgericht, waarvan Nicolaas de voorzitter was.

Na zijn studietijd (1981) werkte hij voor de Arubaanse overheid als ambtenaar (sectie Sociaal- Economische Planning). Drie jaar later besloot hij weer naar Nederland te vertrekken. Hij verliet zijn ‘bruid’ Aruba met bloedend hart, maar moest het doen omdat het eiland hem cultureel te weinig te bieden had. In zijn poëzie klinkt zijn interesse voor politiek en de sociale ontwikkelingen door. Toch is hij geen politiek dichter. Wie zijn gedichten tot in ieder detail wil begrijpen, heeft veel aan het uitgebreide notenapparaat dat achter in Als de aloë sluimert te vinden is. Veel van wat de dichter schrijft vraagt een zekere kennis van Aruba of de Antillen. De voorbeeldige vertaling, het uitgebreide voorwoord en het notenapparaat van Fred de Haas, en ook de uitleg met betrekking tot de schrijfwijzen van het Antilliaans zorgen ervoor dat de rijkdom van deze dichtbundel volledig tot zijn recht komt. Ook voor de niet-Papiamentstalige Nederlander.

De gedichten van Quito Nicolaas kenmerken zich door de hun toon. De dichter legt niets uit, let vooral op de schoonheid van de taal en verwacht dat de lezer begrijpt wat hij tussen de regels door vertelt. Waar een dichter als Walter Palm het regelmatig van de alliteratie moet hebben, kiest Nicolaas, in de originele Papiamentstalige gedichten deels voor het eindrijm, maar nog vaker voor de woorden zelf en de beelden die ze oproepen. Een gedicht als ‘Golven’, uit de afdeling ‘Creolisering’ in deze bundel, wordt ook echt door golven gedragen. Steeds weer komt de tekst in beweging door de gedachten die Nicolaas er aan toevoegt. Als water dat golft, omslaat, terugstroomt.

Golven

Golven van klein tot groot
die mijn herinneringen dragen,

mij terugvoeren
naar tijden van overvloed.

Als kind van emigranten
heb ik mijn geluk onwetend ingeleverd

in ruil voor een schrale morgen,
zonder achterom te kunnen kijken.

Woest golven die mij nooit meer
naar de wieg hebben gevoerd

waar de eerste woorden klonken,
met de begraven navelstreng

roepend om mijn terugkeer
naar de grond die de herinneringen

aan mijn jeugd trillend naar binnen schrokte
en mijn gedachtegolven tegenkwam.


Quito Nicolaas refereert in dit gedicht naar zijn jeugd op Aruba, de aankomst in Nederland en de Caribische gewoonte om de navelstreng na de geboorte van een kind te begraven. Daarmee is het een heel persoonlijk gedicht dat menig Antilliaan zal aanspreken. Tegelijkertijd is dit een gedicht dat mij nu, en het gedicht werd in 1995 geschreven, sterk doet denken aan al die vluchtelingen die per boot naar het westen zijn gevlucht. Ook voor hen geldt straks de nostalgie, de kinderen die later pas begrijpen wat er achter werd gelaten, de vraag of de emigratie wel de moeite waard was, het eeuwige heimwee naar de geboortegrond en alle gedachten die loskomen wanneer ze daarmee bezig zijn. Daarmee reikt dit gedicht van Nicolaas verder dan zijn eigen verhaal. Hij heeft het daarvan losgezongen en tot een gedicht voor velen gemaakt.

Regelmatig stelt Nicolaas iets aan de kaak of wordt zijn mening, ook als die in mooie poëzie is verpakt, aan de lezer duidelijk gemaakt. Zijn gedicht ‘Afro- Arubaan’ windt er ook geen doekjes om. Het gaat hem in dit gedicht om de migrant en de discriminatie die hij op Aruba ervaart. Nicolaas verzet zich tegen het racisme dat de bewoners van de Bovenwinden, de andere Caribische eilanden en Suriname ondervinden als ze op Aruba in de olie-industrie, het onderwijs of voor de douane gaan werken. De bestuurders en politici zien hen alleen maar staan wanneer ze als potentiële kiezers hun macht en machtsmisbruik kunnen versterken en verlengen. De San Nicolas waar Quito Nicolaas over rept, verwijst naar de plaats waar de olieraffinaderij was gevestigd. Alle inkomsten daarvan werden in Oranjestad en de rest van het eiland gepompt. San Nicolas, dat toch al niet zo’n beste naam had, deelde niet mee in de verdiensten en bleef daardoor achter bij de rest. San Nicolas, de plek waaraan de dichter zijn achternaam ontleent, komt vaker voor in deze dichtbundel. Neem dit fragment uit ‘Jongen van Fontein’: Weer hief hij zijn gezicht op, keek,/ zag het verband/ tussen een winst van jaren/ en uitstoot van de raffinaderij. Of het volgende, uit het gedicht ‘Illusie’: Ik heb toen alle olietanks gezien, de heuvels ook geteld, de daken,/ beseffende dat wat ik zag/ een speldenknopje was. Het gedicht ‘Afro- Arubaan’ is bijtend van toon en je merkt dat de dichter bij het schrijven ervan woedend maar ook moedeloos was.

Afro- Arubaan

Ze hebben je vergeten,
altijd en eeuwig achtergesteld,
steeds dom gehouden, maar
als stemvee was je niet te min
voor lage profiteurs!

Nu ben je wél waardig bevonden,
bij de tijd, in staat tot dialoog,
hulpvaardig waar je kan.
Je hebt geen aalmoes nodig,
slechts een uitgestoken hand.

Migrant, uit hetzelfde hout gesneden,
architect van hun geest.
Maar waarom?
San Nicolas, waar sta je
in tijden van crisis en welvaart?

Onze elite nooit veranderd:
de achterdeur bleef dicht,
het is alsof je niet bestaat.
Intern kolonialisme? Ja!
Als onkruid dat nooit zal vergaan.


Met Als de aloë sluimert : Cucuisa cabisha, samengesteld uit de bundels Eclips Politico (1990) , Ilusion Optico (1995), Destino (2000), Atardi di Antaño (2005) en Bos pa planta (2011) is een belangrijk deel van de poëzie van Quito Nicolaas eindelijk in vertaling verkrijgbaar. Het levert een gedichtenbundel die meer inzicht geeft in de geschiedenis van en het leven op Aruba dan menig dikke roman zou kunnen bewerkstelligen.