De afvallige van Jan van Aken
Recensie door H.A. Hofman (10 april 2013)
Vanaf het jaar 313 na Chr. begunstigden de Romeinse keizers het christelijk geloof. Maar keizer Julianus (361-363) brak met die politiek en poogde het heidendom te restaureren. Julianus bewonderde de Griekse cultuur en filosofie. Zijn afkeer van het christendom hield hij verborgen tot hij in 361 keizer werd. Toen legde hij beperkingen op aan christenen en begunstigde hij de verering van heidense goden. De keizer heeft geen bloedige vervolgingen ontketend tegen christenen. Hij viel de kerk aan door de onderlinge verdeeldheid onder christenen aan te wakkeren en haalde het onderwijs weg bij de kerk. Ook steunde hij de Joden met de bedoeling de kerk te ondergraven.

Is de speer die de keizer doodde, gegooid door de vijand of door een eigen (christelijke) soldaat? Daar bestaat onduidelijkheid over. En juist over deze vraag heeft Jan van Aken met vaardige hand een historische roman geschreven. Van Aken woont op het Zweedse platteland, maar geeft in Amsterdam les op de Schrijversvakschool. Hij heeft nu een zestal historische romans op zijn naam staan.

Het schrijven van een goede historische roman is een kunst apart. Als auteur moet je niet alleen over een prima stijl beschikken, maar ook de historische gegevens die een rol spelen in het verhaal goed kennen. En het geheel moet ook nog eens onderhoudend zijn.

In de tijd van Julianus de Afvallige werd het publieke debat, en daarmee de politiek, beheerst door ingewikkelde theologische problemen. Er was verschil van mening over de naturen van Christus. Kon de Zoon van God wel geboren worden als mens? Bezat Hij soms een schijnlichaam? Maar hoe verhield Zijn Godheid zich dan tot Zijn mensheid? De twisten over dit thema verzwakten het Romeinse rijk. Tegelijk verzamelden zich aan de grenzen van het Rijk op de Balkan in het Verre Oosten Gothen, Alemannen, Hunnen en Perzen. Deze in de ogen van de Romeinen barbaarse volken waren uit op de rijkdommen van de Romeinen.

Het verhaal in De afvallige speelt in de periode 350-379. De hoofdpersonen zijn steeds dezelfde figuren. Maar regelmatig verspringt het perspectief naar de jaren vóór Julianus regeerde en vervolgens naar het tijdvak na zijn dood. Is dat verwarrend? Dat valt wel mee. Het boek is opgebouwd rond de centrale vraag: wat is er gebeurd met Julianus, de Afvallige? Wie doodde hem? Daardoor is de verhaallijn ondanks het verschil in tijd toch wel duidelijk te volgen.

Jan van Aken weet de tijdsomstandigheden tot leven te wekken. Hilarisch is zijn verhaal over de podeoon: hoe een wijnzak een doedelzak werd. Valt er voor de lezer nog wat te wensen? De lezer is niet op weg geholpen met een kaartje en een begrippenlijst achterin ontbreekt. Jan van Aken vertrouwt blijkbaar op de algemene ontwikkeling van de lezer en op diens bereidheid zelf enig onderzoek te doen.

Déze lezer, ondergetekende dus, is best onder de indruk van de prestatie van Jan van Aken. Dit dikke boek is overtuigend geschreven. De historische omstandigheden zijn goed geïntegreerd in het verhaal. Ingewikkelde theologische kwesties, lastig te verstaan voor de moderne mens, heeft Van Aken goed begrepen. En de spanning blijft bestaan tot en met het laatste hoofdstuk. Jan van Aken is sterk in sfeerbeschrijving en in de dialogen. Hij vermijdt de valkuil van het theatrale, al neigt de beschrijving van bisschop Vitalis wel naar het karikaturale.

Dit is een historische roman van allure.