De laatste man in de toren van Aravind Adiga
Recensie door Guus Bauer (10 augustus 2011)

De Indiase schrijver Aravind Adiga (1974) ontving in 2008 voor zijn debuut De witte tijger de prestigieuze Man Booker Prize. In die roman vertelt de hoofdpersoon waarom hij zijn baas vermoordde en hoe hij zich aan de armoede heeft proberen te ontworstelen. Een duidelijke aanklacht tegen het kastenstelsel. Een moedig en geestig boek. En dat in een land dat slecht kritiek verdraagt.

In de eveneens in 2008 gepubliceerde verhalenbundel Tussen de aanslagen trekt Adiga nog steviger van leer tegen het onrecht dat de allerarmsten treft. Zijn nieuwe epische roman De laatste man in de toren komt vrijwel direct na verschijning nu ook in het Nederlands uit. In India is het boek bijna niet aan te slepen. Opmerkelijk, aangezien Adiga ditmaal de middenklasse ongenadig onder de loep neemt.

In de sloppenwijk Vakola in Mumbai, het voormalige Bombay, werden in de jaren vijftig en zestig nieuwe flatgebouwen neergezet. State of the art in die tijd. Nu werkt de waterleiding in de coöperatieve toren A op ongeregelde tijden en is het de vraag of het gebouw de volgende moesson zal overleven. De gehaaide projectontwikkelaar Darmen Shah, die maar blijft herhalen dat hij ooit zelf met maar een paar roepies in zijn zak naar de stad is komen lopen, ruikt lont en doet de bewoners ‘een aanbod dat men niet kan weigeren.’

Het flatgebouw kan gezien worden als een microkosmos van ‘het nieuwe India’. Het is gebouwd in 1959. Op de gevel zit een plaquette ter ere van de verjaardag van Nehru. Eerst woonden er katholieken, toen kwamen er keurige hindoes bij en sinds de jaren tachtig waren enkele van de ‘betere moslims’ ook welkom. Er is een vorm van samenhorigheid. Maar het evenwicht is fragiel en staat of valt met goede conciërges en bewakers.

De bewoners van de coöperatie zijn bijna allemaal voor verkoop. Op een paar na, maar die gaan al snel om. Ze hebben kinderen in Amerika die het geld goed kunnen gebruiken en een andere bewoonster wil een kindermeisje aannemen voor haar verstandelijk gehandicapte zoon. Alleen de oud-leraar bijgenaamd Masterji houdt voet bij stuk. Hij is weduwnaar, zijn jonge veelbelovende dochter is uit een forensentrein gestoten en op de rails doodgebloed en zijn zoon heeft een eigen gezin en niet veel aandacht voor zijn vader. Masterji klampt zich vast aan zijn herinneringen en aan zijn appartement. Met alle gevolgen van dien.

Waar Adiga in zijn debuut één vertelperspectief hanteerde, laat hij hier alle personages aan het woord. Aanvankelijk kun je sympathie opbrengen voor de principiële Masterji, maar naargelang het boek vordert levert zijn onbuigzame gedrag ook irritatie op. Hoe ver gaan de projectontwikkelaar én de bewoners om de oud-leraar te overtuigen? Adiga zet de middelmatigheid van de mens scherp neer. Alles lijkt toegestaan onder het mom van verbetering van de maatschappij.

Op een gegeven moment realiseert Masterji zich dat hij niet tégen iemand strijdt, maar vóór een kaste. Op dat moment kán hij eenvoudigweg niet voor verkoop tekenen.

Zowel Shah als Masterji zijn er van overtuigd dat ze de enige ware oplossing hebben voor de stad en het individu, en streven dit meedogenloos na. Ze realiseren zich niet dat het flatgebouw door gebrek aan onderhoud, terrorisme of een natuurramp ineen kan storten en dat iedereen dan verliest. De grote stad als een walhalla, de plek van hoop, waar honderdduizenden van het platteland naar toe komen om, vaak tevergeefs, hun heil te zoeken.

Het boek is opgebouwd uit tien delen, als het ware gestructureerd als een flatgebouw van even zoveel verdiepingen. De spanning stijgt naarmate je ‘de lift naar boven neemt’, gelijk met de intensiteit van ‘het inpraten’ op Masterji. Je voelt het einde gedurende het hele boek aankomen, maar toch verrast het je.

Adiga heeft wederom een intrigerende ‘aanklacht’ geschreven, al kan hij het helaas niet laten om tegen het einde partij te kiezen.