De man die niet ophield met slapen van Aharon Appelfeld
Recensie door Guus Bauer (20 november 2012)

Toen de Israëlische schrijver Aharon Appelfeld in 1998 op uitnodiging van The New Yorker voor het eerst weer in zijn geboortedorp in de Oekraïne was, leverde dit terstond de roman Het verhaal van een leven op in plaats van het gevraagde artikel. Appelfeld, wereldberoemd geworden met zijn romans Badenheim 1939, Bloemen der duisternis en Het tijdperk der wonderen, is allerminst breedvoerig. Hij is eerder een schrijver die ‘de handrem’ niet schuwt, maar zodra hij iets van zijn eigen geschiedenis prijsgeeft, bloeit zijn pen nog meer op dan anders. Het zojuist in Nederlandse vertaling verschenen De man die niet ophield met slapen is misschien wel zijn persoonlijkste boek.

Hoofdpersoon Erwin, evenals Appelfeld geboren in 1932, zowaar op dezelfde februaridag, heeft de Holocaust overleefd door te schuilen in een kelder. Sinds zijn bevrijding verkeert hij bijna de hele tijd in een diepe slaap, zowel letterlijk als figuurlijk. Het is zijn manier om de achterliggende jaren te verwerken. Hij ziet in zijn dromen de zaken met meer reliëf. Niet dat Appelfeld gedetailleerd ingaat op de verschrikkingen in het getto. Hij droomt eerder terug naar huis, naar zijn jeugd, de warme chocolademelk van zijn moeder en zijn goedhartige vader die maniakaal aan manuscripten werkt. Diens werk werd keer op keer door redacteuren geweigerd. ‘Ik ben constant in gevecht met de woorden.’ En zelfs als er eens een positieve brief kwam van een uitgeverij, verzandde de vader in sombere twijfel. Wellicht dat Appelfeld hier ook een tipje van zijn persoonlijke schrijfsluier oplicht. In elk geval is hij naar zijn idee de zoon die het waar moet maken. Maar daarvoor heeft hij eerst een taal nodig die het sluimerende in hem wakker maakt.

Erwin komt in een opvangkamp in Italië terecht. Jonge knapen zoals hij worden al snel gescheiden van de ‘gewone’ vluchtelingen. Zij moeten worden getraind om Palestina op te bouwen en zo nodig te verdedigen. Efraïm, een echte Israëlische mannetjesputter, traint niet alleen hun spieren, maar ook hun geest en sleutelt onderwijl aan hun identiteit. Ze mogen onderling alleen Hebreeuws spreken. ‘De taal zal zich verbinden met het lichaam en ze zullen één geheel zijn.’ Dat is voor velen lastig, de jongens komen uit alle windstreken van het verwoeste continent. Aharon, excuus: Erwin, vreest dat hij op een dwaalspoor is gezet. Hij vraagt zich af of het ‘spierballenjodendom’ niet geperverteerd is. De trainingen doen hem pijn, niet alleen fysiek. Ze veranderen hem. Wil hij wel afstand doen van zijn moedertaal? Het levert prachtige droomscènes op wanneer hij in gesprek gaat met ooms en tantes, zijn vader en vooral zijn moeder. Zij verstaat hem af en toe niet meer sinds hij tot de uitverkorenen van het volk behoort. ‘Is het misschien een religieuze orde?’ vraagt ze hem. ‘Is het een experiment? Ik hoop dan wel een ongevaarlijk experiment.’ En ze laat er onmiddellijk schertsend op volgen: ‘En is er eten?’

In het Italiaanse kamp, en later in de barakken in Palestina waar de Engelsen de vluchtelingen onderbrengen, wordt door velen naarstig gezocht naar overlevende familieleden. Meermaals wordt Erwin ‘herkend’ als zijnde de verloren gewaande zoon. Op zijn beurt ziet hij zelf tantes en ooms en het is maar de vraag of ene dokter Weingarten echt een kennis is van zijn vader. Het doet hem in elk geval goed om te horen dat zijn vader in het kamp aan velen met zijn verhalen hoop en moed heeft gebracht.

Langzaam sijpelt de nieuwe taal bij Erwin binnen. Hij gaat er dan ook mee akkoord om, ter vervolmaking van zijn nieuwe staat, zijn naam in Aharon te veranderen. Ondanks de argumenten die zijn vader ’s nachts aandraagt: ‘Een mens wijzigt zijn naam net zomin als hij zijn moedertaal inruilt. De naam is de ziel.’ Efraïm argumenteert dat Aharon een bijzondere en verheven naam is. Aharon was de spreekbuis van Mozes. Wanneer in Palestina de strijd losbarst, raakt het personage Aharon ernstig gewond aan zijn benen. Na een moeizame revalidatie komt hij in een appartementje in de grote stad terecht, met een zwijgzame jonge vrouw die hem verzorgt. Daar bereidt hij zich voor op het schrijversschap, in de stille hoop dat hij op een dag de verborgen toon zal vinden. Moeder geeft in de nacht haar toestemming. ‘Blijf voorlopig zitten op de plek waar je zit, laat die verre plekken naar je toe komen.’

Aharon Appelfeld schetst op overtuigende wijze de jaren direct na de Tweede Wereldoorlog. Na het overleven, begint het overleven pas. Het is bijna te flauw om te zeggen: De man die niet ophield met slapen is een droomboek over de identiteit in het algemeen en de Joodse in het bijzonder. Moet je de bij je geboorte gegeven achtergrond afleggen of juist versterken? Stukje bij beetje geeft Appelfeld met zijn persoonlijke ervaringen een fundament aan zijn schrijversschap. Moge zijn gevecht met de woorden nog maar lang voortduren.