De onsterfelijke Bartfuss van Aharon Appelfeld
Recensie door Guus Bauer (20 december 2013)
De veelbekroonde Israëlische schrijver Aharon Appelfeld (1932), onlangs nog genomineerd voor de Man Booker International Prize, is de meester van de omtrekkende beweging. In al zijn boeken komen personages voor die een manier zoeken om met hun beladen verleden in het reine te komen, die althans een modus trachten te vinden om verder te kunnen leven na het overleven. De hoofdpersonen in zowel Tsili als in De man die niet ophield met slapen hebben zich beiden in hun eigen lichaam teruggetrokken, de een door met een soort boerenslimheid zichzelf permanent in de schaduw te stellen, de ander door vrijwel constant in slaap te zijn, de enige plek waar zijn herinneringen nog enig reliëf hebben.

Appelfeld zelf is geboren in een gehucht in de Oekraïne. In 1939 werd zijn moeder vermoord en hijzelf samen met zijn vader op transport gezet. Na een jaar wist hij te ontsnappen uit een concentratiekamp en in zijn eentje in de oerbossen de oorlog te overleven. Hij werd keukenhulp bij het Russische leger en kwam na de bevrijding uiteindelijk via een van de opvangkampen in Italië als veertienjarige in Palestina terecht. Daar leerde hij Hebreeuws omdat hij vond dat zijn moedertaal (Duits) niet geschikt was om de Holocaust te beschrijven. Wel vaker zie je bij mensen die in een nieuw aangeleerde taal schrijven dat door de mix van culturen een geheel eigen, veelal fris idioom ontstaat. Denk aan Herta Müller, Tea Obreht of Milan Kundera. Begin jaren vijftig werd de twintigjarige Aharon in Tel Aviv verenigd met zijn vader.

Deze autobiografie snijdt Appelfeld steeds van verschillende hoeken aan, met elke keer een nieuwe metafoor. De hoofdpersoon in de zojuist in vertaling uitgekomen roman De onsterfelijke Bartfuss, de vijfenveertigjarige handelaar, of beter gezegd gewezen sjacheraar, Bartfuss probeert zijn bestaan na het overleven van een van de kleinere, beruchte kampen voort te zetten door te zwijgen en zich van zijn vrouw, die hij ooit Rosa noemde – een nuance typerend voor de ingetogen maar veelzeggende stijl van Appelfeld – en zijn twee dochters af te schermen. Hij heeft zelfs spijt dat hij een paar geheimen heeft prijsgegeven tijdens de momenten van intimiteit met zijn vrouw, zeg maar: de verwekking van háár kinderen.

Bartfuss heeft zijn bed, zijn kamer en zijn, volgens de begrippen van zijn vrouw, onmeetbaar grote geheime schat. Inderdaad heeft hij onder de tegels in de kelder dollars, gouden muntstukken en sieraden verborgen, allemaal bij elkaar gesjacherd, maar hij laat zich niet vermurwen door de tirades van de alsmaar uitdijende Rosa of haar twee boodschappers, de dochters die door hun moeder zorgvuldig zijn ‘opgeleid’. Hij geeft geen stuiver, of beter: geen sjekel af. Hij heeft zijn eigen dagritme, hij komt en gaat naar believen. Het gemeenschappelijke huis komt hem voor als ‘een verdacht leefgebied waar je niet te veel van jezelf moet prijsgeven’. Hij zit letterlijk alleen met zichzelf urenlang in de koffiebar terwijl hij elke beslissing uit de weg gaat.

De scheve verhouding in huize Bartfuss, het gekonkel van de drie vrouwen, een schoonzoon die een nieuwe tactiek voorstelt, de toenaderingspoging van Bartfuss zelf als hij ondanks alles in een bui is waarin hij bijna zijn ergste vijand vergeeft. Het is allemaal meesterlijk beschreven, hilarisch zou je kunnen zeggen, als het niet zo diep treurig, zo intens ontluisterend was. Is de eenzaamheid van Bartfuss wel zelfgekozen? Maakt de buitenwereld een mens soms niet tot een kluizenaar? Wanneer er geen wapens meer zijn voor de aanval, is de terugtocht de enige uitweg.

‘Twee uur ongeveer zit hij alleen met zichzelf. In die tijd komen er allerlei gedachten bij hem op. Het zou beter zijn zonder gedachten, maar hij kan ze niet geheel en al onderdrukken. Bij gebrek aan een alternatief probeert hij zich te richten op die mooie jaren na de bevrijding: het betoverende Italië, de tijd vóór Rosa en vóór de kinderen. Als hij die fout niet had gemaakt zou hij nu op de Saint George-eilanden zitten, die fantastische, onbevolkte eilanden die dag en nacht stilte en water ademen.’

Tsja, de herinneringen duiken juist op als je ze helemaal niet verwacht en het net even niet uitkomt. Voor zover het ooit past, het verleden wringt toch eigenlijk altijd. Bartfuss heeft meer dan genoeg gedaan om een slechte reputatie te kweken, om met rust gelaten te worden. De andere handelaren wantrouwen mensen die niet of helemaal niet spreken (lees: over hun kampverleden praten.) Derhalve doen er mythische verhalen over hem de ronde. Met machinegeweren hebben ze hem beschoten en hij heeft het ondanks de kogelregen overleefd. Hij is voorwaar onsterfelijk. De kluizenaar die door zijn zwijgen juist wordt belaagd.

‘Zijzelf hebben eveneens in de kampen gezeten maar niet in hetzelfde kamp, vandaar zijn slechts zwakke echo’s tot hen doorgedrongen. Daarom, ook al vertelt hij niets, weten zij: alles wat hij heeft doorgemaakt is stellig en waar. Als hij hier zou zitten en maar een tipje van de sluier zou oplichten, zouden ze hem bedanken, maar Bartfuss geeft geen kik.’

Hij heeft, net als Appelfeld, een nieuwe taal gevonden, alleen kent die van Bartfuss geen woorden. Het is een taal van luisteren, van indrukken waardoor de vijandschap oplaait. Maar hij weet die haat te smoren. Bartfuss is een slapende vulkaan. Hij weet niet wat hij met zijn geredde leven aan moet. Eigenlijk weet niemand dat in zijn (wijde) omgeving. Men denkt dat men nu grootste daden moet verrichten. Bartfuss hult zich in stilzwijgen, bijna in lethargie, wachtend op een naderend einde, als ware het de enige troost. Net zoals in de tijd van het kamp waar ‘het lijden lelijk was’.

‘ … hij had vele gezichten gezien maar niet een mens. Uitgehongerd en opgepropt in goederenwagons hadden de mensen geleerd elkaar te negeren, te stelen en voor te dringen met het beetje kracht dat ze nog hadden, ze waren als beesten voor elkaar geworden. Gevoelens waren geleidelijk afgestompt.’

Deze alinea is zo’n beetje de enige directe referentie aan de Holocaust in deze roman. Hoe moet een mens weer een mens worden na dergelijke gruwelen. Even lijkt er een lichtpuntje te zijn als Bartfuss bij een uitstapje een meisje herkend met wie hij samen in een pakhuis ondergedoken heeft gezeten – of misschien denkt hij dat wel. ‘Je moet niet kwaad op jezelf worden,’ zegt hij tegen haar. Tot zijn verrassing komt zijn oude dadendrang terug. Of is dat een nieuwe loer die het lot hem draait?

De onsterfelijke Bartfuss is een boek dat, ja, het klinkt wellicht wat vreemd, ongezegd uitspreekt wat de hoofdpersoon angstvallig probeert te verzwijgen. Het maakt duidelijk dat de ontkenning een sluipmoordenaar is. Je kunt je pijn niet verbergen achter een façade. Misschien wel achter de omslag van een boek, of achter een heel oeuvre. Troostrijk voor schrijver en lezer.