De stad van de kleine mensen van Sjolem Aleichem
Recensie door Guus Bauer (6 december 2013)
Het is des kunstenaars lot dat ze vaak niet lang genoeg leven om een eclatant succes van een hunner werken mee te maken. Wie schrijft, die blijft, zullen we in dat kader maar denken. Met die dooddoener moet een auteur zich kennelijk tevredenstellen. Armoede is immers goed voor de productiviteit, volgens derden dan. De grootste werken worden onder de meest erbarmelijke omstandigheden geschapen. Ja, ja, de lekkende zolderkamer. Aan de slag voor de eeuwigheid, schlemiel!

Zo schreef Sjolem Rabinovitsj (1859–1916) onder het pseudoniem Sjolem Aleichem veertig romans, novellen en toneelstukken. Wie? Zijn bekendste werk werd voor het eerst postuum opgevoerd. In Nederland werd Tevye der Milkhiger (Tevje de melkboer) bekend onder de titel Anatevka, op Broadway kreeg het de titel Fiddler on the Roof mee. Acteur Lex Goudsmit maakte het liedje ‘Als ik toch eens rijk was’ onsterfelijk. Yaba dibi dibi dibi daba dom. Tsja, Sjolem, de schepper, de man op de achtergrond, zal dat ook weleens gedacht hebben. Bij de meeste opvoeringen van deze kaskraker wordt hij niet meer vermeld. De ziel van de kunstenaar steekt in zijn teksten, moet je maar denken.

Het feit dat zijn werk rechtenvrij is, biedt uitgevers de mogelijkheid om deze voor de Jiddische literatuur zo belangwekkende schrijver opnieuw onder de aandacht te brengen. Vorig jaar is in vertaling van Henriette Silverberger De stad van de kleine mensen verschenen. Aleichem neemt de lezer mee naar een Joodsorthodoxe gemeenschap in Oekraïne aan het begin van de vorige eeuw. Het stadje Voronko waar Aleichem zelf opgroeide, stond model voor de fictieve sjtetl Kasrilevke waar de meeste van zijn verhalen zich afspelen.

Joden waren in die dagen verplicht om in aangewezen vestigingsgebieden te wonen. Je zou daar welhaast een voorbode in kunnen zien van de poging tot uitroeiing van de Joodse cultuur niet veel later in die eeuw. De vermaledijde terugblik met de kennis van nu. Maar Joden woonden vrijwel altijd in afgeperkte gebieden, getto’s zo u wilt. In Kasrilevke is er (nog) geen vuiltje aan de lucht. Al eeuwen verloopt daar het leven volgens dezelfde traditionele patronen.

Het wemelt er van de sjoels (synagoges). Elke beroepsgroep heeft een eigen gebedshuis. Er zijn voor- en tegenstanders van het chassidisme. De bevolking van Kasrilevke is divers. Het geeft maar weer eens aan hoe lachwekkend het eigenlijk is om mensen onder een algemene noemer te scharen. De stad van de kleine mensen gaat over spraakmakende individuen, kleine mensen die nauwelijks een paar kopeken te makken hebben, maar er, in sommige gevallen met dubieuze zaakjes, toch iets van proberen te maken.

‘Iets verdienen voor sjabbes, dat is hun hoogste doel. Een hele week werken ze zich in het zweet tot ze erbij neervallen en kauwen ze aarde, eten ellende en drinken kouwe koorts om op sjabbes maar iets te hebben.’

Wij hebben daar kennelijk nu een tv-programma voor nodig, maar de bewoners van het sjtetl wisten het begin vorige eeuw al:

‘ “De wereld is een rad dat draait en draait…” laat een Kasrilevker u een van zijn wijsheden horen en hij toont met een handgebaar hoe het draait… Bij de kleine mensen gaat er niets boven een gezegde. Daarvoor zouden ze, bij wijze van spreken, hun vader en moeder nog weggeven.’

Het stikt in de sjtetl ook van de chejders (schooltjes). Deugnieten genoeg die een lesje moeten leren. De kleine mensen zijn in dit geval ook de kinderen van chassidische families die met de karwats van de rebbe (leraar) in de hand vertrouwd worden gemaakt met de traditionele gebeden en met het Hebreeuwse alfabet. Het gaat er allemaal niet zachtzinnig aan toe en dat wordt door iedereen, ook door de scholieren, als de gewoonste zaak van de wereld beschouwd.

Het begint al goed als Aleichem uitlegt waar de naam van de sjtetl vandaan komt.

‘Wel bij ons heb je – dat weet iedereen – voor een arm man uitgelezen namen: een armoedzaaier, een arme sloeber of nebbisj-een-arme-sloeber, een straatarme stakker, een pauper, een bedelaar, een sjnorrer, een gesjochtene, een armlastige of een arme luis. [ … ] Een Kasrilik, dat is niet zomaar een klaploper, een sjlemazzel, begrijpt u. Hij is het type armoedzaaier dat zich niet, God verhoede, minderwaardig voelt vanwege zijn armoede. Integendeel, hij is er trots op! Of zoals wij het zeggen “arm, maar vrolijk…”’

Aanstekelijk, aanstekelijk, aanstekelijk, dat kun je op z’n minst zeggen van De stad van de kleine mensen. Het is duidelijk te merken dat wat men nu ‘de typische Joodse humor’ noemt, de wortels heeft in de vertellingen van grootmeesters als Sjolem Aleichem. Met recht brengt Aleichem het verdwenen Oost-Joodse sjtetlbestaan weer tot leven. Zelf zei de auteur daar ooit over: ‘Uitstervende types beschrijven is een mitswe (een verdienste). Zij smeken erom: “Schilder ons, beschrijf ons! Laat ons niet vergeten worden door de komende generaties!” […] De verhalen die over hen de ronde doen, lijken anekdoten, maar weest u gerust, het zijn louter feiten.’

De laatste zin is cruciaal. Wij kunnen ons amuseren met de belevenissen van de opportunistische sjoelbeheerder, met de kwajongensstreken van de leerlingen of de perikelen rond het paard Methusalem van de waterdrager, een lankmoedig lastdier dat symbool lijkt te staan voor het leven in de sjtetl, maar voor de beschreven mensen was het de harde werkelijkheid die op een of andere manier moest worden weggelachen, of eerder weggehoond.

Tot slot toch maar een verkorte weergave van een geweldige ‘anekdote’ die alles zegt. Een Kasrilik had er genoeg van om honger te lijden en trok de wijde wereld in. Op een dag klopt hij in Parijs bij ene baron Rojtsjild (sic!) aan. De portier wil hem niet binnenlaten.

‘Ga de baron vertellen dat er, God verhoede, geen sjnorrer voor hem is gekomen, maar een koopman met een product dat in Parijs voor alle goud ter wereld niet te koop is!’

Hij wordt ontboden. De baron vraagt nieuwsgierig wat voor nieuws hij heeft.

‘Hoe zal ik het zeggen, mijnheer Rojtsjild? Het zit zo: bij ons wordt verteld dat u er, moge het Boze Oog zich afwenden, behoorlijk warmpjes bijzit. Als u het mij vraagt, zou u aan de helft of zelfs een derde al genoeg hebben. Om aanzien zit u ook niet verlegen, want er wordt altijd gezegd: wie geld heeft, heeft macht. Al met al, waar ontbreekt het u aan? Slechts één ding: het eeuwige leven! En dat heb ik voor u te koop.’

Driehonderd roebel wil de armoedzaaier uit Kasrilevke hebben, geen idee eigenlijk over wat voor onmetelijke rijkdom de familie Rothschild beschikt. Morrend betaalt de baron, hij had liever nog onderhandeld. De munten stopt de Kasrilik in zijn binnenzak en zegt:

‘Als u eeuwig wilt leven, dan is dit mijn advies: verlaat dit lawaaiige Parijs en verhuis naar ons Kasrilevke. Daar zult u nooit sterven, want zolang Kasrilevke bestaat heeft daar nog nooit een rijk man het leven gelaten.’

Duidelijk?! De stad van de kleine mensen is een boek waarin je je kunt nestelen. Een onvergetelijk tijdsdocument over een wereld die verdwenen is, of beter nog: die ontstolen is.