Een alledaagse gebeurtenis van Zinaïda Hippius
Recensie door Guus Bauer (18 april 2018)
Pieter Waterdrinker haalt haar in zijn roman Tsjaikovskistraat 40, een autobiografische vertelling uit Rusland al een paar keer aan: de androgyne dichteres en schrijfster Zinaïda Hippius (1869 – 1945) die een omvangrijk oeuvre van verhalen, toneelstukken, romans en lyriek bij elkaar schreef, gedeeltelijk in een appartement in de buurt van voornoemde straat en die aan het eind van de negentiende eeuw, begin twintigste eeuw een belangrijke rol speelde in de Russische literaire wereld, als prominente vertegenwoordiger van het symbolisme. (Zeker ook door haar literaire kritieken onder verschillende pseudoniemen over het werk van haar tijdgenoten zoals Achmatova en Pasternak.) Er is weinig van haar in het Nederlands vertaald, een paar losse verhalen en gedichten in verzamelaars daargelaten en dagboekfragmenten en correspondentie in het zeer aanbevelenswaardige Privé-domeindeel De schittering van woorden uit 1984.

In de vier verhalen van Hippius, novelles eerder behalve het slotstuk De deur, die in de serie Slavische Cahiers onder de titel Een alledaagse gebeurtenis zijn gepubliceerd, komen verschillende facetten van haar veelgelaagde persoonlijkheid naar voren. De personages voeren allen een innerlijke strijd, tussen het goede en het kwade, of zoals men wil ‘het verhevene’ en het ‘zondige’. Hippius was biseksueel, had een innige geestelijke verbondenheid met haar man Dmitri Merezjkovski en de homoseksuele schrijver, essayist en criticus Dmitri Filosofov. Hun huis in Sint Petersburg was een pleisterplaats voor vernieuwende dichters, schrijvers en filosofen.

Vol verve kon ze haar nieuwe religieuze bewustzijn, vrij van dogma’s en gebaseerd op universele liefde – De broederschap van drie – , verdedigen, om tegelijkertijd in vertwijfeling te vervallen. Waren haar quasi-serieuze verheven ideeën wel te verwezenlijken in de harde werkelijkheid van het tsaristische Rusland? Haar hoop was aanvankelijk gericht op de Bolsjewieken, maar van een bevrijdende revolutie bleek uiteindelijk geen sprake te zijn. Ze vertrokken via Warschau – Filsofov bleef daar achter – naar Parijs, alwaar hun huis aan de Rue Colonel Bonnet wederom een trefpunt werd van uitgeweken intellectuelen, in de ietwat naïeve hoop dat er uiteindelijk na het communistische Rusland aldaar een christelijke staat zou ontstaan waar iedereen vrij is.

Van naïviteit blijkt niets in het werk van Hippius, in tegendeel, haar verhalen zijn fijnzinnige psychologische schetsen, die vaak de donkere kanten van de mens exploreren, maar toch opvallend fris, levendig zijn. De dualiteit is alom: het vieren van het leven en tegelijk het omarmen van de dood als een verlossing uit de gruwelijke realiteit.

De deur (1912) verhaalt over twee studenten, op en top individuen ‘zonder pedant te zijn’, die toch maar weinig nodig hebben om verblind met de massa mee te hollen. Tisjin, een spichtige begaafde derdejaars, is een volhardende student én kameraad, een voorvechter. Hij gelooft in de kracht van de wetenschap, net als zijn jaargenoot Mosjin, een lange, stevige kerel. Ze zijn zo voortvarend dat ze graag de barricaden op gaan voor de meest radicale ideeën. In dat geval schreeuwen ze zich schor, ook al is de zaak niet helemaal duidelijk. Het is immers ‘de gedachte’ die tot vernieuwing kan leiden, nadat eerst alles tot de grond is afgebroken.

In de universiteit is de deur van het auditorium afgesloten. Er ontstaat rumoer en natuurlijk dringen de twee zich naar voren. Er wordt geschreeuwd, leuzen worden overgenomen, ondanks dat ze onduidelijk zijn. De op hol geslagen meute trapt de deuren in. Achteraf vragen de twee zich af waarom ze zo hebben gehandeld. Zijn ze dan alleen maar kuddedieren? De uitwerking van dit verhaal getuigt van een groot psychologisch inzicht van Hippius. Het (op zich weldenkende) individu dat zich door de groep laat leiden, dat zonder een ‘echte leider’ stuurloos is. Daden en gedachten stemmen niet overeen en gemakshalve geven de twee hun leermeesters de schuld. Ze zullen nog ‘veel deuren moeten intrappen’ voordat ze tot leiders zijn omgevormd. Neuzelende goedpraterij van de protagonisten, schuldverschuiving met behulp van een metafoor. Mosjin: ‘Ze hebben ons, de gezamenlijke kracht, op één hoop gedreven en om ons heen alle deuren afgesloten; er heerst duisternis, beklemming, stilte.’ Ze legitimeren hiermee gemakshalve ook alle acties in de toekomst. Een veelzeggend verhaal, dat voor velerlei uitleg vatbaar is, multi-inzetbaar.

Het titelverhaal (1908) is erg aards. Professor Achtyrov is een zoöloog die aan een derde uitgave van zijn biologische discussie werkt en daarnaast aan de universiteit en aan een meisjesschool lesgeeft. Hij heeft de reputatie verworven uiterst eerlijk en toegankelijk te zijn. Ook thuis staat hij klaar voor zijn m/v studenten. Zijn eigen altijd al wat ziekelijke zoon, een jonge gymnasiast, krijgt pleuritis, een in die dagen maar moeilijk te bestrijden ziekte. Maar de populaire professor heeft het druk, na ongeregeldheden zijn de colleges weer hervat. Hij durft de slaapkamer van zijn zoon eigenlijk niet te betreden uit, zoals Hippius het zo treffende zegt, ‘angst voor het angstaanjagende’.

Liever zit hij in zijn werkkamer, om het vertrek met zijn mannelijke studenten blauw te roken of met zijn vrouwelijke studenten als gewillige toehoorders voor een van zijn monologen. Hippius buit de contrasten, ook binnen het gezin, optimaal uit. Achtyrovs vrouw kan wel mededogen voor haar kind opbrengen. Hijzelf kent de dood alleen van afstand. Zoiets kan hem niet overkomen. Een man van de status quo. Uiteindelijk overlijdt de gymnasiast. Plots, nu het vogelachtige uit het gezicht van de jongen is verdwenen, niet meer de gepijnigde trekken heeft van een oude man, herkent hij zijn zoon weer, verwordt de angst tot zelfmedelijden. Binnen de kortste keren vergeet Achtyrov, kan hij weer vol goede moed aan zijn uitgave werken. De dood (en ook de liefde) is op zich alledaags, maar soms maken we er ons met net iets te veel gemak van af.

Draaipunt van deze bundel is de novelle De geesteszieke (1906), waarbij de norse politiecommissaris Ivan tijdens een langdurige hobbelige koetsrit ineens spraakzaam wordt tegen een medereiziger, het verhaal vertelt over de voor hem onbegrijpelijke gemoedstoestand van zijn veel jongere vrouw. (Zo’n lange rit heeft ook het voordeel dat de schrijver de geschiedenis mooi rustig, doordesemd kan vertellen.) Zij is een schoonheid waarvoor hij alles heeft geregeld. En hij is nota bene een humanistisch, vrijdenkend mens, beslist niet standsbewust. Maar is hij dat wel? Is hij niet gewoonweg stijf, veel te ernstig, mist hij niet een beetje frivoliteit, zit hij niet vastgebakken in zijn edelmoedigheid?

Zijn vrouw is opgenomen in een inrichting, maar het is de vraag of ze wel geestesziek is, of ze niet de rust daar prefereert. In het districtstadje waar Ivan is aangesteld, is niet veel te doen, zeg maar gerust: niets. Ze is in de loop der tijd steeds stiller geworden. En hij wil maar met haar praten. ‘Ze was mijn vrouw en ik was verplicht haar op momenten van twijfel te ondersteunen. In het verleden had ik vaak te maken gehad met verwarde geesten. Er zijn veel mensen die dit doormaken.’ Het is waarschijnlijk juist die zelfingenomenheid van de humanistische Ivan die de vrouw ernstig benauwd. Hippius weeft dit heel subtiel tussen de regels door, geeft een beeld van de huwelijkse staat in die tijd.

De oplossing van Ivan: een geadopteerd kind, een ziekelijk jongetje van tien maanden. En tegelijkertijd dan maar zijn zuster, ook al zo’n begripvolle vrouw. Wanneer de jongen opgroeit wil Ivans echtgenote hem meenemen naar de kerk, maar dat staat zijn humanistische inborst niet toe. Hippius geeft bij monde van Ivan tussendoor een intrigerend, en ergens ook komisch, overzicht van alle verschillende geloven, sektes en bijgeloven. Ivan gaat zo af en toe nog bij zijn vrouw op bezoek, maar na verloop van tijd wil zij hem niet meer ontvangen. En toch blijft hij, trouwhartig als hij is, de inrichting aandoen. Maar hij vraagt niet meer om haar te zien, ‘fijn verlicht’ als hij is.

De appelbomen bloeien (1896) waarmee de bundel opent is een feeërieke vertelling over een pianist van eind twintig die altijd eng (in beiderlei betekenissen) verbonden is geweest met zijn moeder. Hij vindt zichzelf niet echt goed, want zijn spel ontbeert bezieling. Hij is eerder een techneut. Maar toch heeft ook hij een dierbare herinnering, zou in het spelen van een eenvoudig Oekraïens liedje heel zijn hart kunnen stoppen, maar hij beheerst zich, wordt langzaam uitgehold, de wil om te leven ontbreekt. Daar heeft zijn jonge moeder wel voor gezorgd, die volledige toewijding aan haar heeft geëist, hem daartoe heeft opgevoed. Een paar maal heeft hij in het verleden zich in de tuin gewaagd, waar de lente op uitbarsten stond. Over de heg heen had hij contact met het buurmeisje Martha, haast van doorschijnende schoonheid, die een mythisch contact had met de natuur. Zij nodigde hem uit om samen met haar in de nacht het openen van de bloesems van de appelbomen mee te maken om de harmonie te vinden o zo noodzakelijk voor zijn spel. Zijn moeder verbood het hem, ging direct alles regelen om samen naar elders te vertrekken. Van haar afwezigheid maakte hij gebruik, bracht de nacht met Martha door. Iets dat zijn moeder hem niet kon vergeven. Ze zond hem weg naar Moskou, wilde hem nooit meer zien. ‘Om zichzelf niet te hoeven verloochenen is ze daarna expres doodgegaan.’ Een subtiele vertelling over emotionele chantage, over schoonheid, harmonie en liefde.

Een alledaagse gebeurtenis is een rijkgeschakeerde tweetalige bundel. Hopelijk komt binnenkort een van de romans van Hippius in vertaling beschikbaar.