Hier om te helpen van Ad van Liempt en Margot van Kooten
Recensie door Huibert Crijns (1 november 2017)
Ter gelegenheid van het 150 jarig bestaan van het Nederlandse Rode Kruis verscheen dit voorjaar het boek Hier om te helpen van Ad van Liempt en Margot van Kooten. De auteurs zijn door het Rode Kruis uitgenodigd deze jubileumpublicatie te schrijven, kregen vrij toegang tot de archieven en de vrije hand in het bepalen van de inhoud. Dat laatste is natuurlijk van groot belang. Juist bij een jubileumpublicatie ligt het gevaar op de loer van mooischrijverij. Gerenommeerde auteurs als Ad van Liempt en Margot van Kooten hadden zich waarschijnlijk ook niet aan deze taak gezet als zij geen kritische geschiedenis hadden mogen schrijven van de opdrachtgever: Het Nederlandse Rode Kruis.

Maar het Rode Kruis is toch een prachtige organisatie, die zich al 150 jaar in internationaal verband inzet voor mensen in nood? Hoe belangrijk is dan een kritische geschiedschrijving? En waarom mag het dan niet zondermeer een jubelend jubileumboek zijn?

Het Rode Kruis als onderdeel van de krijgsmacht
Op die vragen is een duidelijk antwoord: Omdat op dat beeld van een barmhartig Rode Kruis dat zonder aanzien des persoons mensen in nood helpt wel het één en ander af te dingen valt. Wie de verschillende boeken van Leo van Bergen gelezen heeft, dé Nederlandse kenner op het gebied van de geschiedenis van militaire geneeskunde, kan nooit meer een Rode Kruis embleem zien zonder even de wenkbrauwen te fronsen. Dat zit zo:

Het Rode Kruis is in 1863 opgericht op initiatief van Henri Dunant. Dunant bezocht in 1859 direct na de slag van Solferino het slagveld en trof daar honderden gewonden aan die door de strijdende partijen domweg aan hun lot waren overgelaten. Het werd Dunant duidelijk dat de militaire medische diensten, voor zover ze al bestonden, in het geheel niet op hun taak berekend waren. Het Rode Kruis is dan ook opgericht als een internationale organisatie van nationale medische diensten die in geval van oorlog het eigen leger moesten ondersteunen op het gebied van medische zorg. In feite was het Rode Kruis dus een mobilisabel onderdeel van de krijgsmacht, met als belangrijke taak de gewonden zo snel mogelijk weer militair inzetbaar maken.

Leo van Bergen stelt in zijn boek Zacht en Eervol. Lijden en Sterven in de Grote Oorlog cynisch dat zonder het bestaan van het Rode Kruis de grootschalige en bijna machinale vernietiging van mensenlevens tijdens de Eerste Wereldoorlog politiek en maatschappelijk onaanvaardbaar zou zijn geweest. Het bestaan van het Rode Kruis wekte de illusie dat er goed voor de gewonden gezorgd werd, en dat maakte de gruwelen van de oorlog maatschappelijk aanvaardbaar. Van Bergen toont aan dat de werkelijkheid anders was. Bij de triage, het indelen van de gewonden in hopeloze gevallen (die aan hun lot werden overgelaten), behandelbare gevallen en lichtgewonden, stond bij het Rode Kruis het militaire belang voorop, en niet dat van de gewonden.

Ook heeft Van Bergen een veelzeggend boek geschreven over het Rode Kruis in Nederlands-Indië tussen 1870 en 1950, getiteld Een menslievende en nationale taak. Zijn conclusie is niet mals. Het Rode Kruis was een verlengstuk van het koloniale bewind dat militaire onderdrukking rechtstreeks ondersteunde. Bijvoorbeeld tijdens de gruwelijke Atjeh oorlog waarin het Nederlands Indisch leger ca. 100.000 (ja, u leest het goed) Atjeeërs over de kling joeg. En ook gedurende de “Politionele Acties” was van hulp ongeacht ras, geloof of nationaliteit, zoals in de statuten van het Rode Kruis vastgelegd is, volgen Van Bergen geen sprake. In de praktijk werd voornamelijk hulp aan blanke Nederlanders verleend.

Dit zijn slechts twee voorbeelden van vele in de gedegen publicaties van Leo van Bergen. Het is niet vreemd dat men na lezing het Rode Kruis met enige argwaan gaat bejegenen.

Verhalen van vrijwilligers
Dat die scherpe conclusies tot protest leidden is niet vreemd. Vooral de vele enthousiaste en betrokken vrijwilligers van het Rode Kruis herkennen zich niet in het beeld dat Van Bergen schetst. In reactie op Van Bergens proefschrift De zwaargewonden eerst? over de geschiedenis van het Nederlandsche Rode Kruis verscheen zelfs een brochure. Eliz. P. de Loos-Dietz beschuldigt hierin Van Bergen van sensatiezucht en stemmingmakerij, en trekt het wetenschappelijk gehalte van zijn proefschrift in twijfel. Van Bergen verdedigt zich tegen deze aantijgingen door te stellen dat hij zich voornamelijk gericht heeft op de taakopvatting en de beleidskeuzes van de bestuurders van het Rode Kruis door de jaren heen, en dat zijn kritiek zich niet richt op de individuele vrijwilligers.

Het Nederlandse Rode Kruis team o.l.v. arts Arius van Tienhoven (2e van links) in Servië, 1913

Wat hebben Ad van Liempt en Margot van Kooten hier nog aan toe voegen in hun geschiedenis van het Rode Kruis? Feitelijk nemen zij de kritiek van De Loos-Dietz ter harte en vertellen de geschiedenis van het Rode Kruis voor een belangrijk deel aan de hand van verhalen van vrijwilligers. Bij de meer recente geschiedenis vernemen zij deze ervaringen uit de eerste hand, door middel van interviews. Voor eerdere perioden baseren zij zich voor een belangrijk deel op brieven, dagboeken, memoires en andere ego-documenten. Ook gaan zij in op de motieven van vrijwilligers, mensen die zich vanuit hun levensbeschouwing, of vanuit de eenvoudige wens om iets voor de samenleving te betekenen, belangeloos inzetten voor het helpen van mensen in nood. Daarmee vertellen zij een belangrijk onderdeel van het verhaal van het Rode Kruis, een onderdeel dat Van Bergen bijna geheel laat liggen.

Zwarte bladzijden
Maar Van Liempt en Van Kooten gaan zeker niet voorbij aan de zwarte bladzijden uit de geschiedenis van het Nederlandse Rode Kruis. Zo belichten zij de rol van Prins Hendrik als voorzitter van het Nederlandse Rode Kruis tussen 1908 en zijn dood in 1934. Hendrik kreeg deze functie toebedeeld zodat hij een zinnige maatschappelijke rol kon spelen als prins-gemaal op een positie waar hij niet veel schade kon aanrichten. Hendrik bleek echter ongeschikt voor deze representatieve leidinggevende positie. Bovendien raakte hij verwikkeld in een schandaal toen bleek dat hij Rode Kruis onderscheidingen uitdeelde aan goed betalende lieden die daar graag goede sier mee maakten.

Ook verhalen zij uitgebreid over het vrijwel complete falen van de organisatie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het Nederlandse Rode Kruis werd vanaf het begin van de bezetting vrijwel geheel ingekapseld door de Duitse bezettingsautoriteiten en ingeschakeld voor de Duitse propaganda. Onder Duitse druk werd een medisch team opgericht ter ondersteuning van de Nederlandse SS’ers aan het Oostfront, en nam de organisatie deel aan de Winterhulp Nederland: sociale hulpverlening op nationaalsocialistische grondslag. Voor de Nederlandse joden, en Nederlandse gevangen in de Duitse concentratiekampen heeft het Nederlandse Rode Kruis, in tegenstelling tot veel Rode Kruis organisaties uit andere landen, vrijwel niets kunnen betekenen. Alleen enkele lokale Rode Kruis afdelingen hebben, los van het hoofdbestuur, door het ondernemen van illegale activiteiten iets voor slachtoffers van de nazi’s kunnen betekenen.

Evenwichtig en genuanceerd
Na afloop van de Tweede Wereldoorlog weet het Rode Kruis zich grotendeels aan haar ondergeschiktheid aan de militaire autoriteiten te onttrekken. Zij ontwikkelt zich, zowel in Nederland als in het buitenland, tot een algemene hulporganisatie gespecialiseerd in noodhulp. Bij rampen, epidemieën en oorlogen komt het Rode Kruis in actie met voedsel, tenten, dekens en medische zorg. Ook in Nederland het heeft het Rode Kruis vele malen belangrijke en onmisbare hulp kunnen verlenen. Van Liempt en Van Kooten laten een hele rij calamiteiten de revue passeren: de Watersnoodramp, de treinramp bij Harmelen, de vuurwerkramp in Enschede. Bij elke ramp gaat er wel wat mis in de hulpverlening, maar iedere keer wordt er geëvalueerd en weer bijgeleerd. En natuurlijk kennen we de vrijwilligers van het Rode Kruis gewoon van het blarenprikken bij de Vierdaagse en de EHBO cursus in het buurtcentrum.

Van Liempt en Van Kooten hebben een mooie, evenwichtige en genuanceerde geschiedenis van het Rode Kruis geschreven. En zoals we van Ad van Liempt gewend zijn is het geschreven in een prettig leesbare stijl die voor een breder publiek toegankelijk is dan de meer academische boeken van Van Bergen. Maar ook het Rode Kruis komt een compliment toe. Namelijk dat zij het aangedurfd heeft twee gerenommeerde historici de vrijheid, de toegang en het vertrouwen te geven om ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan een kritische geschiedenis te schrijven.