J.B.W.P. Het leven van Johan Polak van Koen Hilberdink
Recensie door Guus Bauer (29 mei 2017)
Johan Polak (1928 – 1992) was een markant persoon. Naar eigen zeggen met een meervoudige paradijsvloek belast: jood, homoseksueel, foeilelijk en daarnaast ook nog eens zeer vermogend. Zijn overlevingsmechanisme: het creëren van een façade, van een zorgvuldig georkestreerd imago. Polak speelde met verve de classicus, de wat ouwelijke gentleman, de decadentie van eind negentiende en begin twintigste eeuw verheerlijkend. Een man van stand, met een hypochondrische insteek, een fijnbesnaarde biblioseksueel.

Een man die de joodse zelfhaat cultiveerde – waarom heb ik de Shoah wel overleefd? – die zijn heden alleen met zwaarmoedigheid, met angst tegemoet kon treden. Wetenschapper Koen Hilberdink (1957) had als eerste en enige toegang tot het omvangrijke archief van Polak en heeft in J.B.W.P Het leven van Johan Polak mede daardoor de getormenteerde binnenwereld van de mens achter het personage duidelijk aan het licht kunnen brengen.

Net zoals bij de biografieën van de uitgevers Rob van Gennep en Geert van Oorschot wordt naarmate het beschreven leven vordert, een goed beeld geschetst van de culturele en maatschappelijke ontwikkelingen na de Tweede Wereldoorlog. Het zorgt voor een aangename synergie. Een verwantschap waaruit een genuanceerd totaalbeeld is te distilleren. Hilberdink, die eerder biografieën schreef over Paul Rodenko en Hans Lodeizen, kon zich door deze ‘inbedding’ beperken tot de kern.

Het is doorgaans onmogelijk om eenieder die een rol heeft gespeeld een plek te geven, zeker bij iemand als Polak die er eigenlijk een paar parallelle levens op na hield. Een leven als uitgever, als wenspromovendus, een edele geest tussen hoogleraren en schrijvers. Een leven als ‘vader’ die jongens aan zich bond door ze onderdak te geven, door ze als adoptiefzonen op te voeren. En een leven waarin Polak met heteromannen, bij voorkeur getrouwd, blond en rond de zeventwintig, zijn seksuele fantasieën in praktijk kon brengen, in een geheim appartement of in een enkele-uren-hotel.

De vloek van de rijkdom. Polak was gewend dat men zich vanwege zijn geld naar hem voegde. Hilberdink voert de belangrijkste personen uit elk der secties op, laat zien hoe Polak persoonlijke vaak boven zakelijke belangen stelde. Waar hij ten opzichte van schrijvers de onderdanige speelde, voerde hij in de (financiële) omgang met jongens daadkrachtig de regie, met de maskerade van de bewust ouwelijke, erudiete mecenas. De rol van fijnproever.

(Eentje extra: De veel te jong gestorven boekhandelaar en uitgever Jacques Asselman hield ‘wereldse liturgievieringen’ in het appartement boven de door Polak opgerichte Athenaeum Boekhandel.)

Het is juist de kracht van de beperking die een aangenaam leesbaar boek oplevert, dat daarnaast het leven van de betrokkene ontvouwt. Hilberdink interpreteert, maar doet dit op dermate subtiele wijze dat er ook nog ruimte is voor de lezer. Al kun je het met zijn zienswijze vaak eigenlijk alleen maar eens zijn.

Polak had als jonge jongen last van driftbuien. Maar de tijd voor de Tweede Wereldoorlog was toch een gelukkige. Hij groeide op in een deftig maar niet burgerlijk milieu van totaal geassimileerde joden. Sociaaldemocraten die geloofden in culturele verheffing van alle klassen. Oom Leo was hoogleraar in de wijsbegeerte, vader partner in de essencefabriek Polak & Schwartz te Zaandam en groot liefhebber van de Franse levenswijze en literatuur. De kleine Johan kwam onder de hoede van een van oorsprong Duits kindermeisje met een Fröbeldiploma.

Toch zijn er tijdens het interbellum reeds scheurtjes te zien in Polaks leefomgeving. Vader was genetisch belast met hartproblemen en moeder had een fysieke en psychische zwakke gesteldheid. Een nieuw kindermeisje was ruw. Op school verschanste Johan zich in de volwassenwereld, sprak stadhuistaal, wapende zich met een muur van citaten. Maar de zonderling genoot dankzij een formidabel geheugen toch ook wat aanzien. Zijn vileine kant manifesteerde zich in het vertellen van lugubere verhaaltjes aan zijn klasgenoten.

Op zijn tiende verjaardag werd hij in de bioscoop geconfronteerd met beelden van de Kristallnacht. Een jaar later stierf zijn vader aan een hartaanval. De bezetting maakte van de jonge Polak ineens een jood, iemand die te maken kreeg met een hardnekkig wijdverbreid vooroordeel: de joodse man is verwijfd, laf, verraderlijk, zenuwziek en belust op geld. Het bedrijfskapitaal was intussen veilig gesteld in het buitenland. De aandelen waren verkocht aan Verkade en Duyvis. Er werd in Cook Brummer (die later homoseksueel bleek te zijn) een betrouwbare stroman gevonden als directeur. Iemand die met de voorraden alcohol van de fabriek veel onheil wist te voorkomen.

De bezetting, het kortstondige verblijf in kamp Westerbork en het eigen overleven dankzij geld, hebben de wrede basis gelegd voor Polaks escapisme en voor een ‘schuldbewuste dankbaarheid’. Nederland was na de bevrijding voor joden niet bepaald een veilige haven. De ontvangst van overlevenden was, ook van overheidswege, nogal vijandig te noemen. De overlevenden verborgen vaak hun schmerz in hun nerts. In het geval van Polak in de literatuur, voornamelijk van de Tachtigers.

Polak huurde in het pand van Geert van Oorschot een kamer en raakte daar in de ban van de boeken. Hij is daarin een leven lang eerder een liefhebber dan een commercieel denker geweest. Nadat het boek gedrukt was, verdween zijn interesse. Een teken van egocentrisme, maar vooral een teken van isolement.

Vriendschappen, bijvoorbeeld met Rudy Kousbroek, ontaarden in antipathie, door tegenstrijdige opinies. Polak moest niets hebben van de flirt met het marxisme en evenmin van de vernieuwende poëzie van de Vijftigers. Hij zocht zijn heil, zijn toekomst, in het goede ouwe verleden. Het zorgde ervoor dat hij een leven lang werd geadoreerd en tegelijkertijd verguisd. Criticasters vonden hem te dweperig ten opzichte van zijn leermeesters, een kunstvlo, een overschrijver, een schijnheilige parasiet. Polak verhuisde daarom, ook innerlijk, naar het Den Haag van Couperus.

Dankzij het uiteindelijk behalen van het kandidaatsexamen, mocht hij lesgeven. Hij moet een bijzondere leraar zijn geweest, iemand die vanwege een tekst van een der oude Grieken een traan kon laten. Met betrekking tot de verhouding leraar-leerling hield hij er een klassieke homo-erotische zienswijze op na.

Toen in 1956 de Warschaupacttroepen Hongarije binnenvielen, laaide het oorlogstrauma bij Polak in alle hevigheid op. Hij wilde het liefst naar Zuid-Europa verkassen. Maar geen van zijn ‘zielsverwanten’ wilden mee. Het bedrijf van de familie ging nadien over in Amerikaanse handen. Het maakte Polak op zijn dertigste tot miljonair. Mensen werkten vaak met hem tegen wil en dank, vanwege zijn vermogen. Met Gerard Reve had hij een complexe verhouding. Reve verkocht hem regelmatig teksten die hij kwalificeerde als ‘aftrekliteratuur’.

Polak was direct onder de indruk van de gestaalde Rob van Gennep. Maar Rob was beslist hetero. In 1962 werd de uitgeverij Polak & Van Gennep opgericht. Een bedrijf dat gezien de sterk uiteenlopende literaire en maatschappelijke interesses van de beide firmanten na een paar jaar wel ‘gereorganiseerd’ moest worden. Daarnaast kocht Johan diverse boekhandels in den lande en stichtte Athenaeum Boekhandel en het Nieuwscentrum. Deze biografie geeft een goed beeld van de uitgeefstructuren in het naoorlogse Nederland.

Polak beschouwde zijn geaardheid als een ziekte, maar dat belette hem niet om zich volledig in te zetten voor de emancipatie van de homoseksuele man. Met vrouwen had hij niet veel op, behalve met de literatoren uit zijn fonds Ida Gerhardt en Marguerite Yourcenar. Hij werd uiteindelijk bestuurslid van het COC. Maar het waren activistische tijden en door de nieuwe generatie werd hij gezien als een regent.

Nadat hij uit zowel de boekhandel(s) als de uitgeverij was gestapt, schreef hij samen met Frans Goddijn stukken voor diverse kranten en tijdschriften, liet verzamelboeken verschijnen en kwam regelmatig op tv als deskundige. Waarbij hij zichzelf zonder uitzondering kleineerde. Een ironische maskerade die velen niet doorzagen. Vanaf de jaren tachtig beheersten de angsten – onder meer voor Aids – zijn leven. Hij kreeg alsnog zijn doctorstitel. Een eredoctoraat welteverstaan. Het verhaal van zijn leven.

Koen Hilberdink weet met J.B.W.P. Het leven van Johan Polak een raadselachtige persoonlijkheid te ontrafelen, die een eigen wereld had gecreëerd op zoek naar de zo intens gemiste geborgenheid. Iemand die desalniettemin twee monumenten van de literatuur heeft opgericht. De boekhandel op het Spui en de uitgeverij Athenauem – Polak & Van Gennep die dit jaar al weer vijfenvijftig jaar bestaat.