Laatste dagen op Ellis Island van Gaëlle Josse
Recensie door Guus Bauer (5 september 2017)
De schrijver is een observator tegen wil en dank. Het is een lust en tegelijkertijd een last om te worden overvallen door beelden, door scènes, door een paar losse zinnen. Emoties die zo sterk resoneren dat ze eigen moeten worden gemaakt, dat ze tot een nieuwe waarheid moeten worden gesmeed.

De Franse dichter en schrijfster Gaëlle Josse (1960) bracht in augustus 2012 in New York een bezoek aan het vlakbij het Vrijheidsbeeld gelegen Ellis Island. Nu een museum dat gewijd is aan de immigratie, eind negentiende eeuw en tot aan midden twintigste eeuw de eerste aanleghaven van de uit Europa afkomstige immigratieschepen. Een eiland van de hoop, maar ook van de willekeur, van de paranoia, van de xenofobie. Josse werd zo sterk gegrepen door de foto’s van de bannelingen dat de roman Laatste dagen op Ellis Island zich als vanzelf aandiende.

Als ik iets heb geleerd van het wonderlijk avontuur dat schrijven voor mij is, dan is het vooral dit: de vrijheid van de auteur, zoals ik die heb ervaren, bestaat er niet uit om karakters, decors en plots te bedenken, maar om aandachtig te luisteren naar de personages die op een dag op mijn pad zijn gekomen en die ieder voor zich een bijzonder verhaal te vertellen hebben, dat verband houdt met enkele van de vragen die ik mezelf stel en met de dingen die me na aan het hart liggen.

Een klerk van de immigratiedienst, ene A.F. Sherman maakte tussen 1905 en 1925 op persoonlijke titel rond de tweehonderdvijftig foto’s van immigranten, in hun vaak schamele toestand, het liefst getooid in klederdracht. Hoe buitenissiger – in de ogen van de inspecteurs dan – hoe beter, lijkt het. Of het zijn bedoeling was, is onduidelijk, maar de foto’s van Sherman zijn in de tijd in tijdschriften gebruikt als anti-immigratiepropaganda.

Josse isoleert de (Amerikaanse) immigratieproblematiek – die, zoals ook met deze roman weer duidelijk wordt benadrukt, van alle tijden is – door het te vermenselijken. De wet van de kleine getallen, van het relaas van de enkeling. De dagboekvorm en het retrospectieve gehalte verhogen de geloofwaardigheid van deze roman. Josse heeft inderdaad goed geluisterd naar haar personages en dan met name naar directeur John Mitchell. Een fictief personage dat desalniettemin in de lezer groeit, een oprecht mens wordt.

Mitchell leidde decennialang de stroom immigranten in goede banen, maar de laatste dagen in november 1954, zijn de loodsen al lang verlaten, is hij de kapitein alleen achtergelaten op het schip. Er rest hem op het eiland slechts nog tijd om een memoir te schrijven. Om verantwoording af te leggen over zijn eigen daden, en over de handelswijze van een overheid van een land dat een smeltkroes van culturen heet te zijn. Mitchell blijkt al veel langer zijn eigen cipier te zijn. Hij was altijd strikt, hield zich aan de regels en regeerde zijn medewerkers met harde hand. Maar versteend was hij beslist niet. Uiterlijk een onbewogen man, maar van binnen een draaikolk van emoties.

Zijn onderkomen is overzichtelijk, Spartaans. Ook toen hij daar met zijn vrouw Liz woonde, de zus van zijn beste vriend Brian, uit de buurt in Brooklyn waar ze allen opgroeiden. Mitchell ziet er huizenhoog tegenop om straks weer terug te moeten naar de plekken uit zijn jeugd. Hij heeft het huis na het overlijden van zijn ouders in dezelfde staat gelaten. Met zijn eigen herinneringen heeft hij al genoeg te stellen. Die stelt hij op originele wijze te boek. Dusdanig – en vergaat het ons allemaal niet zo? – dat ze van hem vervreemden, dat het na herlezing over iemand anders lijkt te gaan, alsof het geschreven is in een vreemde taal. Het geeft Laatste dagen op Ellis Island iets raadselachtigs en tegelijkertijd iets vertrouwds. Josse weet de melancholie van de man fijn gedoseerd weer te geven.

Mitchell voelt zich ergens thuis in deze grijze omgeving. De gebouwen, de zee, de haveloze immigranten zijn voor hem kleurloos. Zeker sinds zijn vrouw Liz op zevenentwintigjarige leeftijd is gestorven aan tyfus, opgelopen door haar werk als verpleegster. Een scheeparts die de besmetting op zijn boot had verzwegen. Mitchell bezoekt haar graf dagelijks, met tegenzin zal hij haar over een paar weken moeten herbegraven op het kerkhof in Brooklyn vlakbij de laatste rustplaats van zijn ouders. Mitchell is in feite de langgestrafte die eindelijk in vrijheid wordt gesteld, maar zo met zijn omgeving is vergroeid dat hij eigenlijk liever gevangen blijft.

De praktijken die Josse tussendoor schetst zijn historisch correct. Nadat de immigranten, doodop van de weken in een stinkend ruim, hun bagage hadden afgegeven – dat op zich al zorgde voor ontreddering, de laatste zenuw met het moederland werd doorgeknipt – moesten ze een lange trap in twee delen bestijgen, nauwlettend gadegeslagen door een team van geneesheren. Bovenaan de trap werden sommigen van hen gelabeld, vaak alleen vanwege een vermoeden. De angst voor uitsluiting tot het ‘beloofde land’ was groot, zweefde voortdurend boven de hoofden van de miljoenen immigranten. Dat zwaard van Damocles laat Josse duidelijk voelen in de tekst. Medische onderzoeken, vragenlijsten die uitgaan van vooroordelen, veronderstellingen.

Je land dienen neemt soms vreemde vormen aan, het is niet altijd aan jou welk gezicht je de ander laat zien.

Het was en is mensenwerk, waar de beoordelingsfout al ingebakken zit. Mitchell geeft de lezer inzicht in een paar gevallen. De extreme verhalen, vaak degene die slecht aflopen, blijven de mens nu eenmaal het beste bij. Josse geeft af en toe een hint, echt cliffhangers kan je de vooruitwijzingen niet noemen. De herinnering aan de hernieuwde ontmoeting tussen Mitchell en Liz, toen ze van een onbeduidend kind tot een frisse, gepassioneerde jonge vrouw was opgegroeid, is gloedvol beschreven. Het is Mitchell die de grauwheid van zijn bestaan inkleurt met zijn hartstochtelijke herinneringen.

De dood van Liz is een persoonlijk drama, symbool voor het moeras aan tragedies dat zich op het eiland heeft afgespeeld. In de tijd nadien bouwt Mitchell nog verder aan zijn wankele muur. De historische gebeurtenissen aan het thuisfront, op zichtafstand van het eiland, bereiken hem afgezwakt, als een echo. Het bewaken is zijn enige deelname aan de oorlog, aan het wereldgebeuren. Het is het verhaal van een totale isolatie.

Nog eenmaal is hij (voor zichzelf, binnenskamers in zijn kantoor) uit zijn rol gevallen. De directeur-inspecteur wordt het ‘slachtoffer’ van liefde op het eerste gezicht. Hij is bereid om voor de jonge Italiaanse vrouw Nella al zijn principes opzij te zetten. Haar te helpen aan de vereiste inreispapieren, zelfs voor haar met een x gelabelde reus van een broer, een indicatie voor sterk verminderde geestelijke vermogens. Nella neemt binnen enkele minuten totaal bezit van hem. De verstrekkende gebeurtenissen nadien zijn met heel veel onderkoelde verve door Mitchell beschreven. Wat een tragiek, wat een hunkering, wat een invoelbaar geschreven beschrijving van verlies, van verlangen tot het levenseinde.

De eenzaamheid voedt zijn verbeelding, maar verhalen over Nella en haar bijzondere gaven sterken ook zijn verwondering. Mitchell is een man met een geweten, met twijfels, met conflicten. Iemand die de regels weleens naar zijn hand zet, een grenst overschrijdt, maar met de beste bedoelingen. Het dagboek wordt tegen het einde gevonden door een medewerker van een overheidsdienst. Deze wending heeft het verhaal eigenlijk niet nodig. Het plot laat zich zo ook wel raden, maar het mag, het kan en is bovendien keurig ondergebracht in een epiloog. Laatste dagen op Ellis Island heeft onderbouwende historische waarde en appelleert daarnaast aan de menselijkheid.