Levensberichten van Sander Kollaard
Recensie door Guus Bauer (14 februari 2018)
‘Overigens geldt dat alles in deze verhalen volkomen waar is en geen enkele gelijkenis met werkelijk personen en gebeurtenissen op toeval berust.’ Dit laat Sander Kollaard achterin zijn bundel Levensberichten optekenen. Een uiting van de manier waarop hij tegen de verbeelding aankijkt. Als goed beredeneerd giswerk. Een onderzoek naar mogelijkheidsfactoren, overlappende waarheden. Hij beheerst het literaire spel volledig. Maakt in deze verzamelde prozastukken daar mooi terloops een studie van. (Een verhalenbundel, een roman in verhalen, essayistische fictie, het is van volstrekt ondergeschikt belang hoe je dit werk kwalificeert.) De werking van het geheugen, het selectieve gebruik van herinneringen. Zonder proza met elkaar te willen vergelijken, is Levensberichten een stuk meer doorwrochter, fijnzinniger en filosofischer dan het onlangs verschenen Het enige verhaal van Julian Barnes, waarin tussendoor een soortgelijk ‘spel’ wordt gespeeld.

Het werk van Kollaard is altijd verzorgd. Zijn debuut, de verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde, is sfeervol, zorgvuldig geschreven , licht-ironisch. In de in 2015 verschenen roman Stadium IV, die het tot Boek van de maand van het DWDD-panel bracht, zet Kollaard alledaagse, ingeroeste waarheden op losse schroeven. Die lichte kanteling voert hij verder door in Levensberichten. Dit is sterk voelbare literatuur. Schrijven op z’n best, wars van conventies, anders dan die van de taal. En zelfs daar neemt Kollaard nog weleens een loopje mee. Het is een heel eigen, gedurfd. In de zin dat het de grenzen van de literatuur opzoekt en soms een stapje in nauwelijks ontgonnen gebied zet. De schrijver comprimeert, creëert zijn eigen niemandsland. Levensberichten is beslist een stap naar een nog hoger niveau, zonder dat het té intellectueel wordt.

Het citaat dat de spits afbijt is tekenend. Bernard Malamud in Dubin’s Lives: ‘There is no life that can be recaptured wholly; as it was. Which is to say that all biography is ultimately fiction. What does that tell you about the nature of life, and does one really want to know?’ Tegen de keer in proberen we toch te reconstrueren, naar ons eigen goeddunken, als een overlevingsmechanisme. Het vechten tegen de bierkaai. Een herinnering, door een blik, en vooral door een geur, is niet te vermijden. Zoals de oude heer in het eerste stuk, De man die de grote hond bijt, een leven later stokt wanneer een herinneringsvlaag uit zijn jeugd hem overvalt. Het is een bittere herinnering, maar deze is niet alleen nadelig.

Ook het heden heeft er aan scherpte door gewonnen. En de buitenwereld eveneens. ‘De wereld was nog altijd fris, niet zozeer nieuw, maar alsof ze nog één keer al haar moed had verzameld om de belofte van een toekomst op haar schouders te nemen.’ De mens die, ook al is hij reeds 87, toch nog een nieuwe kans ziet. Een fijne weerspiegeling. Kollaard schildert in pasteltinten. De verschuiving van de werkelijkheid ten opzichte van de geboetseerde herinnering. ‘Voor zijn ogen steeg een oude krant op, waardig, een tikje vermoeid, als een reiger.’ Er valt ook op zinsniveau veel te genieten.

In 1940 zijn vrouw en kind omgekomen. De oude heer heeft er veel aan gedacht, maar nooit zo helder als tijdens de reis en de wandeling door zijn geboortestad. Maar gunnen de straten en wijken hem de herinnering nog wel? Kollaard laat zien hoe ook een attribuut iemand ongewild mee kan voeren, hoe de oude heer een rieten mand van zijn moeder wel heel helder voor de geest kan halen, maar niet het gezicht van haar als jonge vrouw. Het is de hang naar een gelukkige tijd, althans naar een tijd die het geheugen heeft opgeslagen als zijnde onbezorgd. ‘Ver weg ging de wereld zijn gang, Mussolini, Hitler, de Finnen die tegen de Russen vochten, maar het was een wereld die niet zoveel met hun leven te maken had.’ Het gevoel verzet zich bij de oude heer tegen het verstand. Hij blijft onverzettelijk, zolang als dat hem gegeven is. Mooier kun je een leven, een sublimatie ervan niet weergeven.

Alle personages in Levensberichten zijn op zoek, hebben een moment van levenslust waarin ze besluiten om ‘een verhaal’ na te reizen. De voorbeeldige wedstrijdloper en filosoof Midas is in Over de merkwaardige lichte gang van Fernando Pessoa verdwenen. Er wordt druk naar hem gezocht, langs de route in Portugal. Uiteindelijk blijft alleen de verteller achter. Al weet hij dat zijn zoektocht eigenlijk al een ritueel is geworden. Zijn energie sijpelt weg. Hier definieert Kollaard even voor de vuist weg het wezen van het verschijnsel ‘rouw’: schade aan de levenslust, een vervuiling van de bron, een ontmaskering van het sprookjesachtige geloof dat het leven de moeite waard is. Kollaard kneedt behoedzaam de gedichten van Pessoa door de tekst, en dan met name diens obsessie met de identiteit. Hij analyseert ze en benut ze om de zaak van Midas en van zichzelf te bepleiten. Ja, wat is identiteit, dat ogenschijnlijk onvervreemdbare? Wanneer je het heel plastisch uitdrukt verblijft de identiteit in kwabben, lobben en ventrikels. Je moet het met Kollaard eens zijn. Het levensverhaal is een kladschrift, een zekere orde in de stroom van ervaringen. Een willekeurige orde.

In De vrijwel volledige vernietiging van ons leven geeft Kollaard eerst ‘de feiten’ weer. De schrijver Weemoed Mausoleum, ja, ja, zijn echte naam, de meest oorspronkelijke schrijver van zijn generatie, is tijdens een minicruise van Stockholm naar Tallinn verdwenen. Zijn vriend en bewonderaar reist hem na. Mausoleum zou ergens een akkertje bewerken en gelukkig zijn. Maar dat zijn natuurlijk alleen maar geruchten. Daarna moet het verhaal nog verteld worden. Zie daar het spiegelgevecht dat Kollaard en zijn personages voeren. De herinnering als illusie. Want wie weet nog precies wat hij of zij pakweg een week geleden van minuut tot minuut dacht en voelde, hoorde, rook en proefde. Dat lijkt een open deur, maar staat natuurlijk wel aan de basis van beeldvorming. Kollaard citeert Mausoleum – het droste-effect – die het als volgt samenvat: ‘Uiteindelijk zijn we kinderen van onze eigen verbeelding, engelen, even echt als onecht.’ Mausoleum registreert minutieus, legt lijsten aan van zo mogelijk alles dat hij op een dag meemaakt. Een ondoenlijke opgave, waarin de vergeefsheid zit opgesloten. Meer dan een poging kun je niet doen om je te weer te stellen tegen de volledige en onherroepelijke vernietiging van het leven. Waarom schrijft een mens anders?

In Het einde van de verlichting krijgt ene Janet post. Ze wordt uitgenodigd voor een bruiloft. Ooit heeft ze op een buurmeisje opgepast. Hier speelt een foto een cruciale rol. Zowel de bruid als de bruidegom staan geheel en al toevallig op een jeugdfoto, genomen bij een dagje naar Amsterdam, naar het Rijksmuseum. Wat voor een waarde hecht men daaraan. Was hun verbintenis voorbestemd? Mensen klampen zich vast, willen daarin een verklaring zien van het lot. Scheppen voor henzelf een moment van duidelijkheid. Boerenbedrog. Een foto is per definitie onbetrouwbaar, verbleekt, vervaagt. Janet heeft de foto gemaakt en zegt dat ook op de receptie. Dat wil men niet horen, men wil in ‘het sprookje’ blijven geloven. ‘De werkelijkheid is een chaos. Dat een uitzonderlijke gebeurtenis betekenis suggereert, zegt iets over ons, maar niets over de werkelijkheid.’ Kollaard verweeft in dit prozastuk de kijk van kennisfilosofen – je zou hem zelf ook zo kunnen noemen – met alledaagse gebeurtenissen. (Janet krijgt een bak met specie op haar hoofd. Beschreven als een kettingreactie.) De schrijver laat zich daarnaast ‘ondersteunen door’ de klassieke Atheense democratie, de Florentijnse renaissance. Ondertussen laat hij nog wat gedachten los over de werkwijze van de schrijver.

Leven en werken van Ivan Aguéli (1869 – 1917) begint met een lijst met een vijftal wetenswaardigheden over deze schilder. Waarbij het verhaal wederom opent met de nuance. Hoe je deze feiten samenknoopt ligt aan de manier van kijken. Welk perspectief kies je, welke eigen waarden projecteer je op deze levensfeiten? Kollaard zegt het maar eens expliciet. En we zien het inderdaad bijna altijd over het hoofd: de taal onthult niet alleen, maar verhult de werkelijkheid ook. Elk woord heeft een bijvangst van meningen, aannames, vooroordelen, associaties en clichés. Zo werkt een schilder natuurlijk ook, die codeert zijn autobiogarfie met kleuren. De kunst die toegang geeft tot de mens erachter. Vervolgens vertelt Kollaard een intens liefdesverhaal van een vrouw, zich weer in Zweden afspelend, waarbij de natuur heel passend functioneert. Kollaard zoekt een moment de confrontatie met de lezer. Niet de levensloop van de lezer geeft toegang tot het verhaal, maar het verhaal laat zien wie en wat de lezer zelf is. Proza dat aanhaakt aan je ziel.

De bundel eindigt met De laatste dag van de koning. Hierin onderzoekt de schrijver het fenomeen flitslichtherinnering. Wat was je bijvoorbeeld aan het doen toen de vliegtuigen in het WTC in New York vlogen. Het construeren van je eigen verleden. Het inkleuren, het aanscherpen van verhalen, als in de orale traditie. Het opnieuw vertellen wie je als verteller eigenlijk zelf bent. Dat is iets wat Kollaard in Levensberichten voortdurend doet. Via verhalen zijn eigen contouren invullen. Tegelijkertijd is hij als schrijver achter het proza verdwenen. Nog even een mooi beeld, want dit boek kent ook stilistisch gezien veel vervullende momenten. De koning loopt door zijn paleis op weg naar de open bus voor de rijtoer. Een timmerman houdt zijn hamer stil en kijkt op. Met een ongepaste uitdrukking van verbetenheid vanwege de spijkers die hij tussen zijn lippen klemt. Onwillekeurig vorm je even je mond en voelt dat dat beeld klopt, aansluit, voor instemming zorgt.

Elk prozastuk in Levensberichten is een fijne legpuzzel. De onderdelen passen zo goed, dat je de snijnaden nauwelijks meer opmerkt. Het zorgt voor een intense leeservaring. Waarbij ook, nee, juist, de omvang van het boekwerk niet ter zake doet. Het is de schrijver die zich laat leiden door de taal. Dit is proza dat de strengste (taal)kritiek met gemak doorstaat. Intelligent en subtiel.