Mijn oor aan je hart
Recensie door Jef van Gool (29 maart 2007)
‘Vaak is schrijven niet zozeer een weergave van ervaringen als wel een vervanging daarvan, eerder een “in plaats van” dan een “opnieuw beleven”, een soort dagdromerij. Je kunt absoluut niet ontrafelen hoe een leven zich verhoudt tot het beschrijven ervan.’

Met deze vraag naar het waarheidsgehalte van autobiografische teksten werd Hanif Kureishi, zoals hij beschrijft in Mijn oor aan je hart, geconfronteerd na het opduiken van een manuscript van zijn vader. Die had na zijn emigratie vanuit India naar Engeland jarenlang als klerk gewerkt op de Pakistaanse ambassade in Londen. Al die jaren was hij echter vooral in de weer met wat hij zag als zijn ware roeping: schrijver worden. Hij voltooide ten minste vier romans. Die werden alle door uitgevers afgewezen, niet alleen tot zijn eigen verdriet. ‘Het was traumatisch voor ons gezin, dat die afwijzing persoonlijk opvatte,’ noteert Kureishi.

Het manuscript dat hij elf jaar na de dood van zijn vader las, was dat van An Indian Adolescence, diens laatste roman. Het onthult veel details uit diens leven, maar is tegelijk zijn eigen verhaal. Meer dan ooit beseft hij hoe zijn eigen succes als schrijver zijn vader moet hebben gefrustreerd. Die vond zijn werk wel goed maar ‘niet zo goed als dat van hemzelf, dat in zijn ogen “meer diepgang” had’. Mijn oor aan je hart, in vertaling verschenen bij De Bezige Bij, is ook een queeste naar de plaats die hij zelf innam in het levensverhaal en de fantasie van zijn vader en naar de genese van zijn eigen schrijverschap.

Dat er alsnog een boek van zijn vader zal worden gepubliceerd, acht hij weinig waarschijnlijk. ‘Ook nu zal een uitgever er weinig brood in zien, tenzij als voetnoot bij mijn oeuvre,’ zei hij in een interview in NRC Handelsblad.

Bron: Camé Magazine