Rotgrond bestaat niet van Gerbrand Bakker
Recensie door Guus Bauer (14 maart 2018)
Zolang je plant, ben je niet dood

Rotgrond bestaat niet van Gerbrand Bakker (1962) is op twee manieren een ideeënboek. Het thema van de Boekenweek is ‘natuur’, en dan kan zeker gediplomeerd hovenier en wereldschrijver Bakker niet ontbreken met een angehauchte titel. De marketeer in de uitgever wikt en beschikt. Belangrijker is de andere betekenis: een boek vol beschouwingen, filosofieën, ideeën. Lezers van het privé-domeindeel Jasper en zijn knecht kunnen dit nieuwe boek beschouwen als een vervolg. Bakker is een ware columnist, een echte ‘dagboekanier’ geworden. Hij glorieert wanneer hij over zijn omgeving bericht, de piraat van zijn eigen tuin- en wereldbeleving. Sla geen acht op de suffe ondertitel Over cultuurlandschap en natuur. Dat past helemaal niet bij deze schrijver, bij de inborst van deze man, bij de tekst. Het door Bakker voorgestelde en naaktzwijn Wilma kon geen doorgang vinden. Zo zie je maar, ook de bestsellerschrijver heeft zich maar te voegen.

Wel een prachtige weidse omslagfoto van Bakker zelf, kun je best wel een tijdje bij stilstaan. Maar goed, op naar de inhoud. Een passend motto van Joseph Wood Krutch, vrij vertaald: ‘Het platteland, een vochtig soort plek waar allerlei soorten vogels ongekookt rondvliegen.’ Kijk, dat dekt de lading al een stuk meer. Dit boek gaat niet over natuur, over cultuurlandschap, maar over de verhouding van droogkloot Bakker met zijn tuin, met de bergen, de bossen, de vergezichten, de verklaring van zijn gemoedstoestand ten opzichte van zijn omgeving. Hij is geen tuinnazi, iedereen mag doen waarbij hij of zij zich prettig voelt. Hij stelt alleen eisen aan zichzelf, ziet zijn tuin als een momentopname, een plek die steeds moet worden bijgewerkt. A work in progress. Struiken uit het bos halen, takken kunstig opstellen, stenen verzamelen en stapelen. (Genoeg te vinden in het leisteengebied in de Eifel alwaar zijn natuurlijke, trapsgewijze tuin zich bevindt.)

Hij is de man die overzicht nodig heeft, afbakening, een hek, een kwadrant, een mooi rechthoekig gazon om met de hand te maaien. Orde scheppen en steeds weer herscheppen. Ja, de vergelijking met het schrijven is snel gemaakt, maar laten we het voor de hand liggende eens vergeten. De hovenier die zich zorgen maakt over de aanblik voor derden, bezoekers mochten eens denken dat hij ‘niet goed is’ in zijn vak. Het mooie van de eerste stukken, is dat wanneer ze eerder in Trouw of in De Groene zijn verschenen, ook worden herschept, aangepast, ingebed in de ontwikkeling van de mens achter de tuinman die weer een paar jaar ouder is, ergens toch weer net anders tegenaan kijkt, zich niet meer zo druk maakt om ‘wat men denkt’. Althans niet zo vaak meer. Tuintrends, bah. Bakker zegt het helder en klaar: ‘Er bestaat geen toekomst van dé tuin. Wat bestaat is de toekomst van elke afzonderlijke tuin, de tuin die we zelf aanleggen en onderhouden.’

Bakker staart niet alleen naar zijn eigen tuin. Hij gaat ook regelmatig op stap, naar de bergen in Wales. De Mount Snowdon en de Cadair Idris bijvoorbeeld. Hij is een man die – kijk nog even naar het omslag – is opgegroeid met weidse vergezichten. Natuurlijk voelt hij zich eerder op de bergen thuis, het gevoel dat je in de natuur bent, ontzag gemengd met een altijd aanwezige lichte angst, je móet op je qui-vive zijn. Nee, dan de duisternis, de mystiek van de bossen. Daar heeft Bakker begrijpelijkerwijs moeite mee, mee gehad, want dankzij zijn Eifelbostuin is hij ook daar langzaam aan gewend, net als aan het vervoer per vliegtuig. De columnachtige vorm past Bakker als een (tuin)maatpak. Hij ontzenuwt ‘museumtuinen’, pakt vooral de ‘vermenselijking’ van dieren en planten aan. De walvis die na zijn bevrijding van een visnet door een activist zijn dankbaarheid toont. Ammehoela, doe maar een beetje gewoon. Zo kennen we onze Gerb weer. Ondergetekende is hem nog steeds dankbaar voor zijn ontzenuwing van het antropomorfisme van Peter Wohlleben. Na lezing van het werk en het interview met de Duitse boswachter uit Hümmel, tevens successchrijver, dorst je bijna zelfs geen ui meer te snijden, bang dat je de knol pijn zou doen. De taal die Wohlleben hanteert is poëtisch, maar – u ziet, voortschrijdend inzicht – kan niet met goed fatsoen een-op-een overgeplant worden op een totaal andere manier van ‘leven’. Bakker: ‘Hoe moet een wereld waarin planten en dieren (inclusief de mens) gelijk aan elkaar zijn eruitzien? […] Hoe dien ik mezelf gelijkwaardig te verhouden tot mijn sneeuwklokjes of eikenbladhortensia’s?’

Zo af en toe ontkomt in dit boek Bakker zelf ook niet aan ietsepietsie antropomorfisme, maar hij tikt zichzelf daarna terstond op de vingers. Dat maakt de tekst aanstekelijk. Bakker maakt een reis naar Griekenland. Het levert een wat langer stuk op, een ‘gelukkig’ segment. Daar constateert hij dat er geen rotgrond bestaat, dat de vegetatie gemáákt is voor juist die kurkdroge plek. Het is het meest ontroerende gedeelte van dit boek.

De verschillende kraaien, het leven na Jasper, de nieuwe, tijdelijke hondjes, de insectenpopulatie, de gierzwaluwen, de dierentuin in Berlijn en zo veel meer. Het gedoe rond de ‘Anna-Frank-boom’, alwaar Bakker weer een fijn Wohllebentje doet. ‘Het kan een boom niet schelen of hij een gedenkboom is: als het tijd is om te sterven, sterft hij. […] Dat is wat bomen doen: gewoon ergens staan, die grote planten met een paal in het midden.’ Ja, dit is een boek eerder over Bakker dan specifiek over het thema van de Boekenweek. En is daardoor zeker niet beperkt houdbaar. Hij laat je daarnaast wel degelijk nadenken over de houding die wij mensen denken te moeten aannemen ten opzichte van de natuur, wat de geldende mode is.

Rotgrond bestaat nietis de Lonely Planet van een fijne droogkloot. In de natuur lijkt Bakker minder eenzaam. Er zijn ten slotte geen muren waartegen je op kunt lopen. En dan is het winter geworden en kijkt Bakker vanuit zijn schrijfkamer naar de kale, ondergesneeuwde beuken. ‘Tijd deze tekst af te sluiten. Tijd voor fictie.’ Vooral aan dat laatste zal zijn uitgever hem vaak herinneren. Tot slot nog even een Cato Maiorretje van de bespreker: overigens ben ik van mening dat Gerbrand Bakker het Boekenweekgeschenk had moeten schrijven.