Scheren zonder spiegel van Ezra de Haan
Recensie door Harry Vaandrager (23 januari 2012)

In de verantwoording achterin de bundel Scheren zonder spiegel stelt de dichter Ezra De Haan: ‘In deze bundel heb ik dankbaar het werk van anderen gebruikt.’ Er volgt een rijtje namen. Niets bijzonders. Zien we vaker.

Maar verdomd, bij eerste lezing denkt de welopgevoede lezer vaag iets te lezen dat hem bekend is. Komt dit niet van Kafka, Trakl, Heine of is het Eliot, vraagt hij zich af. En bij tweede lezing is het zonneklaar, hij herkent ook fragmenten van Burroughs en andere leden uit de beatgeneration. Voorts al die dichters uit de Engelse romantiek, ze lichten allemaal weer op in het lezersgeheugen. Kijk hier, Rimbaud ook al. En Baudelaire. Dan de derde lezing, want ja deze bundel verdraagt herlezing op herlezing, wat een verwarring. Mijn verstand verbijstert, mijn zinnen zijn begoocheld denkt de lezer. Kan ik nog wel vertrouwen op mijn geheugen? Duid ik dit al wel goed?

Waarom? Welaan, het wordt de lezer snel duidelijk dat waar Ezra De Haan zijn materiaal ook vandaan tovert, al is het uit de handleiding voor een mediaplayer, hij er overal een onvervreemdbare De Haan-taal van fabriekt. Dat er vele anderen in mee resoneren, doet niets af aan het feit dat deze gedichten alleen door hem geschreven konden worden.

Ook in fysieke zin hebben sommige gedichten een bron van buiten. Er zijn er die ontstaan zijn in Praag. Andere in Hamburg en Paramaribo. De Haan is dus niet eenkennig. En dit gaat slechts over de inspiratie: literatuur en plekken. Doch er is meer uitzinnigheid. Bijvoorbeeld in thematiek. Die is divers. Ik licht er drie uit. Ten eerste: kritiek op onze samenleving.

Het is bekend, blaffende honden bijten niet. Deze gedichten blaffen niet, maar bijten des te harder. Hoewel, er wordt gebeten zonder dat je er erg in hebt. Simultaan speelt ook de onmacht om een en ander een radicale twist te kunnen geven een rol. Lees ‘Soera’s’:

Ik kan er toch niet zijn
als ik er moet zijn.
Ik kan er zijn
als ik er ben:
een verzamelaar van soera’s
wolken vol klanken
waarop woorden drijven.
Ik noem het stenen die ik zaai.


Een ander thema is de liefde. Uitgewerkt in haar vele facetten. De passie, de overgave en het verlangen. Dit lezen we vooral in de eerste afdeling ‘Zin’. Om te ontwarren hoe een en ander verknoopt is, daar is een uitgebreid essay voor van node. Een geslaagd gedicht kan goed wedijveren met de complexiteit van de werkelijkheid. En ja, die is vele malen ingewikkelder dan de meeste romans doen voorkomen. Als voorbeeld ‘Franyisek Drtikol’:

Is jouw gezicht het masker
dat op dat van een ander ligt?
verwacht ik een ander, verander
ik de trekken, het gelaat, staat
slechts een schaduw ertussen
trekken van toen en van nu?


We hebben dus de series ‘Zin’ en ‘Waan’ gehad. Dan, heel dialectisch, eindigt de bundel met ‘Waanzin’. Daarin wordt naar mijn idee de waanzin bedoeld die schuit in de dagelijksheid en de koppen van ons tweevoeters. Die duivelse krachten zijn angstwekkend gespierd. Er wordt dan ook een helse strijd gevoerd tegen de waanzin. Ik zou er met graagte veel uit citeren. Doe dat niet. U moet deze bundel zelf lezen.

Maar wees gewaarschuwd: Ezra De Haan is een wilde dichter, hij heeft het lef in het wild te denken en te dichten. Een man die niet bang is voor wonden en zich scheert zonder spiegel.