Sirenen van Jan Cremer
Recensie door Guus Bauer (1 december 2017)
Jan Cremer is inmiddels een noeste bonk van 77 jaar, maar hij ikt in zijn nieuwste boek Sirenen rustig door. Op de voorkant een foto waarop Loesje Hamel, de eerste grote liefde van de hondstrouwe vrijbuiter, mooi getergd, licht vertwijfeld wegkijkt. Het is opnieuw geschreven in de zo kenmerkende Cremer-dagboekstijl, bij tijd en wijle wat licht gezwollen, maar van snoeiharde beschrijvingen van de flipstand is in dit Odyssee-deel geen sprake.

Het is het verslag achteraf van een grote, onmogelijke liefde, aan de hand van agenda’s en documenten van begin jaren zestig. Tussen de beschrijvingen van reizen en buitenlandse verblijven zijn, zo goed als zonder specifieke vermelding, brieven en kattenbelletjes van Hamel zelf opgenomen. (Waarvan achterin een paar doordrukjes zijn afgebeeld.) Zo nu en dan zijn die liefdesbetuigingen, die twijfelschrijvens erg sentimenteel, larmoyant zelfs. Maar ze zijn wel oprecht, doorgaans met een snijdende humor en met zelfspot geschreven. Fijn melodrama, al was het voor Hamel allemaal tergend echt.

Ze getuigen van wederzijdse bindingsangst. Al is die angst bij succestwintiger Cremer vele malen groter. Zijn vurige liefde werkte verlammend. En de grootste fout die hij maakte, was dit voor Hamel te verbergen. (Wanneer je de teksten van Hamel leest, kan je ook wel enigszins de weerstand van Cremer in die dagen begrijpen. Een vrouw die bijna overdreven goed is voor haar omgeving, die lijdt aan de Jezus-neurose.)

Heeft de schelm op leeftijd daadwerkelijk spijt van het mislopen van het ‘grote geluk’, of is het een soortement varkensrugritje, buit hij de erfenis van ex-verpleegster Hamel – die voordat ze zeer vroegtijdig door kanker werd geveld zelf een bloeiende carrière had als zangeres bij Ramses Shaffy en als internationaal gevierd fotomodel – vakkundig uit? Hebben de erfgenamen toestemming gegeven voor publicatie, aangezien de teksten nog steeds niet rechtenvrij zijn?

Is het allemaal een publiciteitsstunt van Janneman, zoals ook Hamel zelf hun vaak breed in de pers uitgemeten liefdesperikelen meermaals zo bestempelde? Maar heeft ze dat niet in vertwijfeling geroepen. Kon in die tijd de schrijver/schilder misschien niet anders, gezien ook zijn tehuisachtergrond? Boompje, beestje, huisje, laat staan trouwen, was in die tijd off limits.

Moet je het zelfmedelijden dat uit de tekst en uit het tv-optreden na de verschijning van Sirenen spreekt misschien met een schep zout nemen? Ergens zijn de huidige beschrijvingen van de gebeurtenissen voor en rond de publicatie van de eerste Ik Jan in de jaren zestig ook met een zekere vergoelijking, met zelfspot geschreven. Het egocentrische gedoe uit die tijd heeft ook een fraai weemoedig kantje. Een mens kan toch tot inkeer komen, zelf als het een selfkickende kunstenaar betreft. Al is het maar voor even.

Sirenen is bovenal een tijdsdocument, geeft een goed beeld van de bekrompen samenleving waartegen Cremer indertijd terecht tekeerging. Tussendoor komen ook de verschrikkelijke perikelen met de ex-vriendin H. (Hester) en haar potige familie aan de orde. Hoe geld mensen om een successchrijver-schilder heen corrumpeert. Cremer, een man met een groot hart, een beroepsverliefd-worder, die van zichzelf zijn verantwoordelijkheden nemen moest. Die eigenlijk hondstrouw wilde zijn, maar toch hele roedels met gebroken vrouwenharten achterliet. Hamel was ergens een uptown-girl, ook al kwam ze oorspronkelijk uit de kop van Noord-Holland, die zichzelf hopeloos verloor in de liefde voor haar downtown-boy, haar ruwe bolster, blanke pit, haar stoker, haar lieve overdrijver.

Dat de tekst zo af en toe hort en stoot past eigenlijk wel bij het geknipper in de relatie, bij het eeuwige aantrekken en afstoten binnen een dergelijke dramatische liefde. Los van al het gekrakeel is Sirenen toch een monument voor Loesje Hamel. Zij neemt geen blad voor de mond, toont zichzelf met al haar voors en tegens. Hamel is uiterst menselijk. Wil Cremer, die zich altijd achter dat lerenjack-flipstand-imago heeft verschuild, misschien via haar toch echt iets van zichzelf laten zien? Het hoogtepunt van dit memoir zijn de brieven van Hamel. Lees bijvoorbeeld de zes pagina’s van hoofdstuk 194, een fraaie staccatobrief van 2 november 1965. De hele belevingswereld van die dagen wordt in humoristische voetnoten uiteengezet.

En uiteindelijk zegt Hamel in een laatste bericht vlak voor haar dood, barmhartig als altijd: ‘We konden allebei niet helpen, dat alles ging zoals het is gegaan. Neem het ons geen van beiden kwalijk. We deden ons best.’
Delen
Koppelingen
Boeken