Stoppen met roken in 87 gedichten van Dimitri Verhulst
Recensie door Guus Bauer (14 september 2017)
Als prozaschrijver kun je je verstoppen achter personages, karakterontwikkelingen, verhaallijnen en zo meer. Een poëziebundel geeft paradoxaal gezien, ondanks de mogelijkheid tot verdichting, vaak meer weer van de schrijversziel, eenvoudigweg omdat eerlijkheid in de tekst gewenst is, zo niet een vereiste is. Multitalent Dimitri Verhulst (1972) staat bekend om zijn aanstekelijke stijl, een combinatie van sappig- en geestigheid, aangelengd met een flinke scheut melancholie.

In de verzamelbundel Stoppen met roken in 87 gedichten is Verhulst op z’n eerlijkst. De melancholie wordt versterkt door de serieuze ondertoon, die door zelfspot precies op de juiste momenten net genoeg gekanteld wordt. Doorkijkjes in het wezen van iemand die deelneemt aan het leven, er middenin staat, maar tegelijkertijd een volstrekte buitenstaander is, iemand die zich gewapend heeft met de taal. Het levert een scala aan compacte waar op, krachtige miniverhalen waaruit hunkering, verwondering en ach en wee spreekt.

De doem der dagen, vrolijk neergepend, in een heel eigen idioom, met het originele perspectief van de langjarige ‘taalwerker’. Doordesemde eenvoud is het moeilijkst te schrijven, en dat lukt Verhulst eigenlijk in al de verschillende vormen die hij voor deze verzamelaar heeft gekozen.

Fijne liefdesperikelen in Me and Mrs Jones (en op geheel andere wijze in De dochters worden wakker) De ‘vrijblijvendheid’, de ondraaglijke lichtheid zit verpakt in de vervolgzin die de titel gelijk oproept: ‘We got a thing going on.’ De bundel vangt aan met een gedicht over het voor zijn van het onvermijdelijke afscheid door al uit elkaar te gaan wanneer het niet moet, om op die manier het weerzien warm te houden, om elkaar in de herinnering te bezoeken, zodat er niet weer die totaalschade ontstaat. De liefde, het leven, de dood, een loer proberen te draaien. Het is tevergeefs, maar wat rest een mens die niet bij de pakken wenst neer te zitten anders?

Ik zit uitzichtloos aan mijn tafel / en doe mijn best je niet te schrijven / omdat ik hoop, en halvelings geloof / dat ik ons in leven kan zwijgen.

[…]

Zeg mij dat wij ons kunnen sparen / tot geen van ons twee /er ooit genoeg van krijgt


De bundel is dienaangaande mooi rond door het slotakkoord Eerste gedicht voor Isabelle, waarin de dichter op ontroerende wijze zichzelf wegcijfert ten gunste van een geliefde. (Met een weinig egocentrisme weliswaar.) Zij moet als eerste gaan, zodat ze zijn totale verval niet mee hoeft te maken. ‘Van top tot teen gehuld in ochtendgrijs’, mooi. Zodat niet zij maar hij de eenzaamheid zal moeten dragen. Daartoe wil hij haar overleven, zij het niet te lang. Precies genoeg om haar te missen. Vervolgens draait Verhulst aan het zes strofen lange gedicht toch een hilarische punt en geeft het daarmee net een andere beslist onsentimentele wending, zonder afbreuk te doen aan de ontroering. Dat is evenwicht scheppen.

Sterk zijn de observaties in Coördinaten van door het leven vergeten types, hangend aan de bar, in het vaalgrijze ochtendlicht op straat tussen de resten van een zich voorheen vermakende menigte. De eenling die vertroosting zoekt, maar toch steeds weer met de feestneus op de naakte feiten wordt gedrukt. ‘Elders is het leven en het moet daar lastig zijn.’ Verhulst is hier de man die aan de knoppen van de jukebox van verleden en heden staat en tragikomische plaatjes draait voor alle ‘compagnons-verworpenen der aarde’. In Flessenpost staat een oneliner die de bundel en het (samen)leven kernachtig vervat. ‘Toeval brengt de mensen samen; een goede reden haalt ze weer uiteen!’ We scheren allemaal langs elkaar.

Wortels bevat negen wat langere prozagedichten in blokvorm. Een feest van herkenning voor Verhulstlezers van het eerste uur. De herinnering aan een dagje langs de weg bij een wielerwedstrijd. Met tuinstoel en al, moeders met een breiwerkje. En dan is het peloton binnen een paar tellen voorbij en valt ineens de grauwheid in alle hevigheid op. Wat een weltschmerz druipt er van die pagina’s. De weltschmerz waarmee Verhulst volgaarne een tarantella zou dansen… ‘of toch zoiets ongeveer’. In dit soort zinnetjes zit de samengebalde kracht van de bundel. De kansen zijn klein, je kunt je erbij neerleggen, of je een weg naar buiten vechten. Een hoop verdronken verdriet. De dichter die fijn meezingt en zuipt, zichzelf zonder pardon te kijk zet, met genoegen neersabelt en roept: ‘Zolang jij in mijn wrak een lichaam ziet.’ Het leven beschouwen van dag tot dag voordat je het afleert.

Dit alles zou gemakkelijk kunnen worden afgedaan als een pose, en waarschijnlijk heeft Verhulst, begenadigd muzikant en acteur, genoeg reservebillen in de kast hangen, maar hij gaat in Stoppen met roken in 87 gedichten toch met het vermakelijke achterwerk bloot. De gedichten hebben stuk voor stuk eigenlijk geen ballast maar wel veel bagage. Deze bundel is in alle aanstekelijkheid vrij van koketterie, heel geaard en oprecht. Dat is een grote verdienste.