Wanneer wij samen zijn van Karin Amatmoekrim
Recensie door Guus Bauer (17 oktober 2007)

Een nieuwe bloedlijn

Een roman over drie generaties van een Javaanse familie in Suriname en Nederland, beginnende bij de stamvader Wagiman, die pas deel begon uit te maken van de geschiedenis van de kolonie, toen Nederland had besloten om de eigen bronnen aan te boren: vanaf het einde van de 19e eeuw werd een gestage stroom van Javanen ‘gerekruteerd’ voor het werk op de plantages.

Het uitgeputte zwarte werkvolk had zich net met moeite aan de slavernij ontrokken, onwennig probeerden zij voor het eerst in de geschiedenis aan een eigen leven te beginnen. Britse Hindoestanen hadden aanvankelijk de plaatsen opgevuld van de slaven, maar deze ‘koelies’ werden naar het idee van de plantage-eigenaren te goed beschermd door de Engelse overheid. De Javanen waren wellicht niet zo sterk, maar het waren Nederlandse onderdanen en men kon er dus over beschikken naar goeddunken.

Het boek bestaat uit drie segmenten. Het eerste deel beschrijft het leven in en rondom het dorp Tambaredjo, de liefde, de hoop, de verbondenheid met de natuur en de oprechte blijdschap, ondanks de armoede, over de gestaag groeiende kinderschare. Het Javaanse moederland is een beloofd land waar men weer naar terug zal keren wanneer er als contractarbeider genoeg verdiend is. Toch verlengen bijna allen hun vijfjarige verbintenissen keer op keer. Uiteindelijk vinden ze stuk voor stuk hun laatste rustplaats in de Surinaamse aarde. Het oude Java wordt geïdealiseerd.

In het tweede deel trekt, deels uit noodzaak, een volgende generatie naar de grote stad Paramaribo. Kinderen waaieren uit over verschillende landstreken. Relaties lopen faliekant mis, peuters overlijden of worden eenvoudig omdat er geen geld is door beter gesitueerde gezinnen ‘gekweekt’. De familieband blijft het enige op de wereld waar men op kan vertrouwen.

In het laatste deel verhuizen ooms en tantes naar Holland. Kleindochter Deborah (net als Karin Amatmoekrim in 1976 geboren) komt met haar moeder Soeratijem, haar broertje Peter en haar nieuwe onbehouwen Nederlandse vader na een reis met een vrachtschip over de wereldzeeën terecht in het roddeldorp IJmuiden, een plaats waar zelfs vriendschap niet zonder schaduwkant kan. Bij een verjaardagsfeestje bij een van de zeldzame Nederlandse vriendinnen heeft de moeder de twijfelachtige eer om door de voltallige visite te worden bekeken als een prijsdier.

‘Na een borrel hadden ze het altijd over die “Turken”. Hier leerde ze het excuus kennen van witte mensen als ze bruine mensen te vriend wilden houden: ze bedoelen jou niet!’

Aan het einde van het geld is er elke keer nog veel te veel maand over. Er is een vurige wens naar de warmte en hartelijkheid van het Surinaamse leven.

‘Ze had een belofte gevolgd tot aan de ander kant van de oceaan.’…. ‘Dit was het gezicht van de armoede: lelijk en wreed.’

Ik weet niet of ik dit boek ‘gekleurd’ heb gelezen. Ik heb een familieband met Java en Suriname, woonde in Maleisië en ken al meer dan vijfendertig jaar met gemengde gevoelens het Holland van IJmuiden.

Ik vind het in ieder geval een gloedvol en beeldend geschreven familie-epos over ongekende armoede, ondragelijk verlies, passie, liefde en de waardevolle troost, warmte en hoop die uitgaat van een echte familieband. Het boek bevat geen onnodige passages of vervelende uitweidingen. Het doet mij denken aan de eveneens in een subtiele en menselijke stijl geschreven boeken van Maria Dermoût. Die las ik ook in één keer uit. De vraag is of Karin Amatmoekrim de kwaliteit van dit boek ooit kan evenaren dan wel overtreffen. Ik wacht gespannen af.