P.C. Hooft-prijs 2014 (beschouwend proza)

Details:

De prijs is op 22 mei 2014 in het Letterkundig Museum uitgereikt aan Willem Jan Otten.




Winnaar

  • Willem Jan Otten

    Juryrapport P.C. Hooft-prijs 2014 beschouwend proza:

    Nederland is een land van columnisten en opiniestukkenschrijvers geworden, meer dan een land van essayisten. De krant is bij uitstek de plaats geworden waar de lezer dagelijks of minstens wekelijks de actualiteit weerspiegeld vindt in de persoonlijke opvatting van de columnisten. Soms gaat het zelfs alleen nog maar om wat henzelf in het dagelijkse leven bezighoudt. Afhankelijk van het moment van verschijnen van de krant zijn zij de openers en de sluiters van de dag geworden. Soms sterk moreel bewogen en politiek betrokken, soms ook vooral relativerend en de spot drijvend met de waan van de dag of de schijn van idealen ontmaskerend.

    De essayist heeft een andere taak, onthullend en ontdekkend wat onder de mantel van de vanzelfsprekendheden alleen nog als contour waarneembaar is. De essayist heeft voor zijn werk ook meer ruimte nodig dan de steeds kortere baan die de columnist gegund is. Minder gebonden aan de deadline van de krant, heeft de essayist meestal ook meer tijd beschikbaar. Dat geeft meer vrijheid, die ook niet beperkt wordt door het wetenschappelijke keurslijf van de nauwgezette verantwoording van iedere stap in de vorm van verwijzingen naar de eerdere stappen die anderen al gezet hebben. Meer vrijheid maakt echter ook meer kwetsbaar. De essayist kan niet simpelweg citeren of poneren, hij moet redeneren en met argumenten overtuigen. Zonder eindeloze reeksen verwijzingen er toch geen twijfel over laten bestaan thuis te zijn in het onderwerp dat hij behandelt. Zonder de vorm de inhoud te laten overheersen toch zoveel vat op de vorm hebben dat de citaten zich als vanzelfsprekend aandienen. Het essay is een literair en intellectueel genre tegelijk.

    Willem Jan Otten heeft als auteur in een periode van inmiddels meer dan veertig jaar schrijven een indrukwekkend oeuvre tot stand gebracht. Een snelle telling vanaf zijn debuut in 1971 komt uit op twaalf bundels poëzie, acht toneelstukken, vier romans en negen bundels essays en beschouwingen. Ze zijn van een kwaliteit die in de kritieken erkend en met de toekenning van een reeks belangrijke literaire prijzen ook bij herhaling bevestigd is. De jury van de P.C.Hooft-prijs 2014 voor beschouwend proza is unaniem in haar overtuiging dat Willem Jan Otten in het bijzonder ook erkenning verdient voor de uitzonderlijke kwaliteit van zijn werk als essayist in de klassieke zin en in de oorspronkelijke betekenis van het woord. Het essay als een poging tot verheldering, voor de essayist zelf en via hem ook voor de lezer. Schrijven als een vorm van denken en denken in de vorm van schrijven.

    Ook in zijn romans en in zijn poëzie doet Willem Jan Otten zich als een zeer beschouwelijk en beschouwend ingesteld auteur kennen. Hij is minder een steller dan een peinzer. Met opzet gebruiken we hier nu even niet het woord ‘denker’, omdat dat in dit verband toch vooral en ook te veel de suggestie van cerebraliteit en rationaliteit oproept. Die aspecten zijn zeker ook aanwezig, maar voor zover daar sprake van is, gaat het dan toch niet om de functionele rationaliteit van de doelmiddel-relatie, maar om de substantiële rationaliteit die zich afvraagt wat goed en zinvol is, wat waar is, ook in de zin van wat waarde heeft en wat waarde kenmerkt. Dat maakt dat bij Willem Jan Otten het essay een heel eigen en zeer persoonlijk karakter heeft. Niet persoonlijk in de zin van het centraal stellen van de eigen emotie of het eigen leven, al wordt daar wel naar verwezen. Evenmin persoonlijk ook in de zin van het uitdragen van een eigen politieke opvatting en het proberen anderen te overtuigen van de juistheid daarvan. Wat in zijn essays zo opvalt, is het samengaan van de persoonlijke worsteling in het zoeken naar zin en de al schrijvend toenemende zekerheid in het vinden van betekenis. Steeds weer probeert hij het raadselachtige van het menselijke bestaan, het geheime en het ondoorgrondelijke, het impliciet mystieke ook, onder woorden te brengen en te verhelderen zonder het op te lossen in het loog van de analyse, maar ook zonder te streven naar het vinden van een definitief antwoord dat de vraag tot geschiedenis maakt. De wereld is misschien minder een raadsel dan een rebus die met moeite gelezen kan worden.

    In dit verband is ook de rol van geloven in Ottens essays, meer dan het katholieke geloof per se, intrigerend. ‘Ik wil geloven, niet weten’, schrijft hij, en dat is voor hem niet afzien van kennis, maar inzien dat het hier om een ‘kwestie’ (zijn woord) gaat, een probleem dus, ‘zijnde het raadselachtige, onbedwingbare, onlogische en bindende tegending dat zijn plaats naast weten, vergewissen en beseffen aan het heroveren is’. Ook waar hij zich tot de orthodoxie bekent, doet hij dat op de onorthodoxe manier van de bekeerling die zich herkent in wat hij zich eigen heeft gemaakt. Wie erop let, merkt hoe gefascineerd hij steeds weer is door wat mensen soms ten diepste beweegt en tegelijkertijd niet verstandelijk te verklaren noch weg te verklaren valt. Dat verrast de in traditionele zin niet-gelovige lezer als het gaat om het gebed, of om, zoals Otten zelf zegt, ‘de meest ongeloofwaardige en dus hartstochtelijks geloofde transcendente gebeurtenis van onze cultuur’, namelijk de herrijzenis van Christus uit het graf. Otten is allerminst bang of terughoudend om te denken en schrijven vanuit zijn geloof en dat maakt hem als essayist in het Nederland van nu tot een uitzonderlijke figuur.

    Inmiddels al meer dan honderd jaar geleden duidde Max Weber ‘die Entzauberung der Welt’ als teken van moderniteit. Willem Jan Otten ontkent de ‘Entzauberung’ niet, maar anders dan de socioloog ziet hij de mens toch blijvend als de tovenaar, die niet aan zijn eigen ban kan ontsnappen – een typisch tovenaarsthema, zoals Otten ook zelf in zijn verwijzingen naar Harry Potter aangeeft. ‘Ik wil geloven, niet weten’ is de positieve wending die hij aan dit menselijke teveel geeft. Juist in de literatuur, op het toneel en in de film wordt het wonder van de zelfbetovering zichtbaar. In zijn ‘Berlijnse geloofsbrieven’ beschrijft Otten het proces van de ‘beweging het personage in’, ons vermogen – misschien zelfs wel ons onvermogen om dit niet te laten gebeuren – om deel te worden van een verhaal dat niet ‘echt’ is en als lezer of kijker te gaan samenvallen met de personages op het doek of op de bladzijde. Otten laat ons zien hoe en waarom dit werkt en ontwerpt zo de contouren van een psychologie van de waarnemer die veel verder gaat dan empathie of zelfs identificatie.

    De hermeneutische zoektocht naar het geheim van de verbinding tussen de verteller van het verhaal, de toeschouwer en de hoofdpersoon heft het geheim zelf niet op. We blijven in de ban en we willen dat ook blijven. Het is wel een intellectuele prestatie van de eerste orde om ons te kunnen laten zien hoe en waarom de betovering werkt. Het is tegelijkertijd ook een literaire prestatie om dat zo te doen dat de lezer zelf weer onder de betovering van de tekst zelf komt. Iedere alinea – Willem Jan Otten schrijft compact en mede daarom sterk alineagewijs – is rijk aan zorgvuldig geformuleerde zinnen, kan op zichzelf gelezen worden en verrast door mooie beelden en goed gekozen begrippen. Willem Jan Otten is een begenadigd stilist en dat maakt het ook esthetisch een genot om zijn gedachten te volgen. Zijn essays zijn misschien wel het beste bewijs dat goed denken pas herkenbaar wordt in goed schrijven. Dan pas ook raakt de lezer geïnspireerd en geïntrigeerd, soms geïrriteerd ook, wanneer hij het met het betoog niet eens wil of kan zijn, maar er zich door de kracht van Ottens formuleringen toch niet aan kan onttrekken.

    In de moderne filosofie worden vaak meer vragen gesteld dan antwoorden gegeven. Wie een antwoord wil, krijgt als vraag wat zijn eigen antwoord zou zijn. De essayist stelt zichzelf vragen en zoekt zijn weg naar antwoorden. Als hij dat goed doet, willen wij als lezers meegaan met zijn vragen, meegenomen worden op zijn zoektocht en meegenieten van zijn antwoorden. We hoeven hem niet altijd te geloven om toch steeds in hem te kunnen geloven. Dat doet de jury van de P.C. Hooft-prijs 2014 met bewondering en van harte in Willem Jan Otten.

    De jury van de P.C. Hooft-prijs 2014:
    Paul Schnabel , voorzitter
    Désanne van Brederode
    Elma Drayer
    Jeroen van Kan
    Annet Mooij

    Aad Meinderts (ambtelijk secretaris)



    Laudatio: Je wilt geloven dat het waar is

    Het was geloof ik tijdens het avondeten dat mijn vader vertelde over een gastles die hij gegeven had op mijn school, het Gemeentelijk Gymnasium in Hilversum. Het ging om de klas van mijn broer. De leraar Engels, meneer Buitendijk, had hem uitgenodigd om te komen praten over de dood. De keuze was op mijn vader gevallen omdat hij toen een nogal bekende dominee was. En dominees hebben iets te vertellen over de dood en een leven erna. Het zal de vierde klas zijn geweest, dus zat ik in de tweede. Er was een jongen in die klas die behoorlijk stevig met mijn vader in debat was gegaan. Mijn vader had dat leuk gevonden. Zijn geloof in God was stevig maar hij was sportief als iemand er anders over dacht. Die jongen was een overtuigde niet-gelover. Later hoorde ik van hem, ik weet niet meer hoe en waar, dat hij niet erg onder de indruk was geweest van mijn vader. Slap gezever of zoiets, zei hij. Ik vond dat niet leuk, maar liet het natuurlijk niet merken. Ik keek tegen hem op. Hij was vier jaar ouder. Had een vaste vriendin, schreef in de schoolkrant, speelde jazz op de piano in de aula met een lange, roodharige jongen op de contrabas. We speelden samen in het schoolvoetbalelftal tegen de hbs. Gymnasiasten zijn geen voetballers maar hockeyers. Hij en ik zaten op voetbal, hij bij lfc en ik bij fc Victoria. Een daad van verzet? Het was een heroïsche match en ik herinner mij dat hij als rechtsbuiten iedereen voorbij liep, zeg maar Overmars. Zo lang ken ik hem dus al. Daarna verloor ik hem uit het oog. Totdat hij opeens een literaire prijs kreeg. Ik was verbaasd en, denk ik nu, jaloers. Raar, want ik schreef geen poëzie en fantaseerde alleen maar over het schrijverschap. Toneel heeft ons uiteindelijk weer bij elkaar ge- bracht. Ik vind het bijzonder en eervol dat ik hier mag staan.

    Wij delen onze liefde voor toneel waarin het niet draait om meningen of standpunten, maar om hartstocht, verdriet, geloof, hoop en verraad. Toneel is de enige manier om al schrijvend de redenen van het hart te kennen, noteert Otten in zijn dagboek. Maar, zeg ik dan, je moet over verdomd veel talent beschikken om een goed toneelschrijver te zijn. Dat wordt vaak onderschat en wellicht dat daarom te veel schrijvers er soms wat geringschattend over doen. Toneelschrijven heeft met muziek te maken, met poëzie, met gevoel voor ruimte. Otten is zo geschikt voor toneel omdat hij als een kind kan kijken. Hij kijkt naar het toneel als naar een betoverde wereld. De toverlantaarn van Ingmar Bergman. Je wilt geloven dat het waar is. En dat kan alleen als je in de tovercirkel stapt. Dat is toneel: een tovercirkel. Daarbinnen zijn de acteurs echte mensen en is alles wat zij meemaken waar gebeurd. Dat geloof van de toneelschrijver is hetzelfde geloof dat acteurs kunnen hebben. Het geloof dat de gedroomde wereld de echte wereld is. De toneelstukken van Otten zijn geschreven vanuit een groot vertrouwen in wat acteurs kunnen, wat theater kan. Er spreekt geloof uit in de toeschouwer. Een toeschouwer die onbevangen kan kijken. Naar mensen, niet naar meningen. Tussen die mensen gebeurt iets: een scène. De inzet van een goeie scène gaat over wat waar is en niet waar, over wie de mens is in het licht van de eeuwigheid. Leven we voor onszelf of is er iets wat wij zoeken. En wat zoeken wij dan. Dat zijn de scènes waarvoor je je huis uitkomt. En dat zijn de scènes die Otten als geen ander kan schrijven. Daarom zijn al zijn toneelstukken het bewijs van zijn grote schrijverschap. Theater zou er niet geweest zijn zonder het geloof. Kunst is aanvaarde onzekerheid, zegt Kees Verheul ergens. En zij omarmt als een zusje het geloof. Als toeschouwer heb ik het ver- langen om in het theater iets bijzonders mee te maken. Otten schreef een ode aan de kunst van het acteren. Boven het gedicht staat de naam van een van god gegeven acteur uit de tweede helft van de vorige eeuw.

    siem vroom

    We keken, hij deed het erom dat we keken, maar hij bleef de gedachte die hij moest denken,
    vertolker, met ogen die zich leegden, en handen

    gotisch van precisie, en een stem gemaakt voor het wit om de woorden. En steeds de schijn dat hij
    ergens iets hoorde, buiten de zaal, een stem van een jongen, verstopt in het koor.

    Het was niet echt. Nooit wilden we denken hij doet het erom. Hij speelde, maar niet dat hij was wie
    hij speelde. Hij speelde alsof. Alsof het om hem niet kon gaan. Hij was een vertolker. Hij speelde
    zich leeg. Het was of hij ergens iets hoorde, buiten de zaal, een stem die misschien wel
    ontbrak, vandaag.

    Otten is een schrijver met een wereldbeeld. En wat hij schrijft is gedacht vanuit een oeuvre. Het toneelstuk Braambos en de roman Specht en zoon zijn niet los van elkaar te denken. Alexander zou nooit een toneelstuk geworden zijn zonder de Alexander-gedichten in de bundel Op de hoge. De essayistiek van Otten wordt op wonderbaarlijke wijze toneel in De nacht van de pauw. Toen hij Een sneeuw schreef, begin jaren tachtig, was hij bij de toneelliefhebbers bekend van zijn paginalange toneelrecensies in Vrij Nederland. Ze waren zo opwindend om te lezen omdat ze geschreven waren door een literator met een eigen stem. Zijn recensies waren eigenlijk essays over toneel, over kijken, over schrijvers, over de betekenis van theater als kunstvorm. De toneelschrijver Willem Jan Otten herinnert ons aan een tijd waarin toneel en literatuur met elkaar spraken. Een acteur staat op een leeg toneel. Het is een halfuur voor aanvang. Hij bereidt zich erop voor om een ander te worden. Langzaam wordt die ander een bekende van hem. Het publiek stroomt binnen. De voorstelling kan beginnen. Hij gaat het toneel op en stapt in het licht, in de scène. De mens, aldus Otten, verwezenlijkt zich in een scène, staande tegenover een ander, of anderen, bekeken en beoordeeld door een publiek. Over zijn lot wordt beslist door de daad die hij zal verrichten (of na- laat te verrichten). Grote scènes gaan over keuzes, een noodlot, een bestemming. De openingsscène van King Lear is een grote scène. Een heel leven wordt vergooid in krap een kwartier. De tragiek van de ouderdom. En dan die andere hele grote scène aan het slot. De oude koning komt op met zijn dode doch- ter Cordelia in zijn armen. Hij droomt dat zij nog leeft en dan dringt het besef door dat het onomkeerbare is gebeurd. En dat het zijn schuld is.

    De meeste mensen zien er enorm tegen op dat ze zullen sterven. Dat moet toch wel het zwaarste moment van ons leven zijn, denken zij. Maar wat pas echt zwaar is, aldus Kierkegaard, dat is het ogenblik waarop het erop aankomt met leven te beginnen. Daarover kan ik een beetje meepraten. Ruim een jaar geleden hoorde mijn zoon mij roepen. Hij kwam aangesneld en zag mij op de grond liggen in een enorme plas bloed. De ambulancebroeder zei tegen een vriend, die toevallig langsfietste en mij zag zweven door de lucht, ‘dat ziet er slecht uit’ en hij bedoelde, ‘die haalt het niet’. Toen ik daar lag, daarna bij de spoedeisende hulp en op de ic, heb ik ervaren wat het is om bijna dood te gaan. Daarop volgde het gevecht tegen de somberte, de angst, de gelatenheid. Niet achterom kijken zoals de vrouw van Lot, maar door. Er is een leven dat erom vraagt dat je er wat mee doet. Kijk naar je vrouw en je zoon die van je hou- den. Dat proces is door Otten beschreven in een van zijn essays. Dat essay kreeg de titel mee ‘Er is geen sprake meer van terug’ en gaat over het zeilmeisje Laura en de film Into the Wild. Het is een hartverscheurend essay. Er is het verhaal van een meisje dat wil verdwijnen en vervolgens prooi wordt van het publieke debat. Op miraculeuze wijze verbindt Otten haar verlangen om te verdwijnen met het extatische van Lear, dwalend op de oneindige godverlaten hei. ‘Je bent alleen – los,’ aldus Otten. ‘Er is geen sprake meer van terug – simpelweg ondenkbaar. Niets weet je van wat voor je ligt, en toch is het oneindig méér dan wat je verlaat.’ Uit dit essay komt ook het citaat van Kierkegaard over het moment waarop het leven echt gaat beginnen. Otten verbindt het verhaal van Laura’s verlangen met de film Into the Wild, waarin haar verlangen wordt gedramatiseerd. In de beschrijving van de film is Otten op z’n best. Zijn manier van kijken is het kijken van de ideale toeschouwer. Hij vertelt en duidt wat hij ziet. De film gaat over een jongen die na zijn eindexamen besluit om in zijn eentje een voettocht te maken. Twee jaar later wordt hij teruggevonden in de wildernis van Alaska. Dood. In de film volgen we de jongen op zijn tocht. Hij laat niets van zich horen aan het thuisfront. Onderweg ver telt hij niemand hoe hij heet en wie hij is. Van iedereen die hij ontmoet neemt hij voor het laatst afscheid. Hij is op weg. Op weg naar iets. In de kantlijn van een boek dat hij op het eind heeft gelezen, staat: ‘Happiness is only real when shared.’ Ge luk is alleen echt als het gedeeld wordt. En dan schrijft Otten: ‘Er gaat een grote kracht uit van deze ongeveer laatste aantekening van de onherroepelijke wegloper. De film doet wat hij zelf niet heeft gekund: hem met ons delen. En het is alsof hij het alsnog gekund heeft.’ Dat vind ik ontroerend. Dat hij de film deze betekenis geeft en daarmee de maker Sean Penn iets waardevols teruggeeft. Otten kan dat als geen ander. De maker doen ontdekken wat ie eigenlijk heeft gemaakt. Otten is genereus. Hij deelt zielsveel met zijn lezers. Hoe hij van een niet-gelover een gelover is geworden. Van een voetballer een dichter en van een jazzpianist een essayist. De grootste zonde, aldus Chesterton, is denken zonder ziel. Wie dát gelooft, dat een ziel bestaat, gelooft óók in het wonder van de transcendentie. Otten heeft de weg naar Damascus afgelegd. Dat is een verdomd moeilijke weg. Dat wordt je nagedragen. Daar moet je verantwoording voor afleggen. Maar die onrust, dat zoeken, dát maakt hem tot de schrijver die hij is.

    Ik herinner mij een essay dat hij in 2004 schreef voor NRC Handelsblad over ‘een Poolse romanticus op de pauselijke troon’. De omschrijving is van de dichter Miłosz en hij bedoelt zijn landgenoot Johannes Paulus ii. Hij was een mediapaus. Zon- der hem was de geweldloze opstand tegen de dictatuur van het Oost-Europese communisme niet zo succesvol geweest. En toen brak er een periode aan waarin zijn lijden een publiek lijden werd. U herinnert zich vast nog wel al die niet-gelovers die er opeens op z’n Jan Mulders in kranten, op de radio en de televisie, schande van spraken dat zo’n oude, gebogen, bevende man nog in functie bleef. Aanstootgevend, iedereen was het met elkaar eens. O, wat zijn we het vaak met elkaar eens, en o wat zijn we dan snel en hard in onze veroordeling. Dat aftakelingsproces bijvoorbeeld, dat wilden wij niet zien, dat was misselijkmakend. Paul de Leeuw kreeg de lachers gemakkelijk op zijn hand toen hij in zijn goed bekeken televisieshow op de zaterdagavond de paus belachelijk maakte met een smakeloze imitatie. Het was walgelijk om naar te kijken en mijn zoontje van negen zapte prompt weg. Het had z’n opa kunnen zijn, dat doe je niet. Waar maken die fanatieke, overtuigde niet-gelovers zich zo druk over, vroeg ik mij af. En toen stond er opeens dat verhaal van Otten in de krant, waarin hij de vraag waarom de paus niet aftrad 180 graden omdraaide en ervan maakte dat die aftakeling nou juist de ultieme betekenis aan zijn pontificaat gaf. Ik citeer: ‘Met zijn wankele, aanstootgevende ouderdom (die hij niet gezocht heeft, maar simpelweg ondervonden) vertolkt en leeft hij de weg van de lege handen. Hij was gedurende de eerste twintig jaar van zijn pontificaat boven alles de mannetjesputtende kracht die een koppig, soms effectief nee riep tegen superkrachten als communisme, hedonisme, liberalisme.’ Hij besloot te zijn wat hij was geworden. ‘Hij heeft zijn verzwakking op zich genomen, en belichaamt daarmee dat waar het christendom mee begonnen is. Hoe groot, rijk en vorstelijk de kerk ook is – soms wordt zij geleid door een mens.’

    Otten is onbetwistbaar een van de laatsten onder ons die het talent heeft om een essay te schrijven. Zijn essays zijn vitaal. Ze betogen niet maar vertellen de verhalende bewegingen van zijn denken. Een goed essay is een denkbeweging. En de denk- beweging van Otten helpt ons om het ondenkbare toe te laten. Dat is niet de gedachte dat alles uiteindelijk oplosbaar is. Verre van. Je staat in het leven tenslotte met lege handen. Leegte is een kernbegrip van het moderne denken. De leegte is de af- grond van de ziel. We wachten op Godot, maar we wachten tot sint-juttemis. Tijdverspilling dus. De leegte van de moderne mens is een wereld waarin geen wonderen gebeuren. De leegte van de lege handen van de paus is zijn kwetsbaarheid. Het is een leegte die vraagt:

    hoeveel weet ik van u

    Zoveel als het zoontje dat ligt in het gedicht en wijst naar de wolken weet van de dichter die naast
    hem ligt

    Zoveel als de peuter die voor het eerst voor een spiegel staat weet van de peuter die voor hem staat

    Zoveel als de veroordeelde die in zijn celmuur klopsignalen hoort weet van zijn buurman

    Zoveel als de vrouw die door de doptone het hartje niet hoort kloppen weet van haar ongeborene

    Zoveel als de oude koning op de dag van zijn troonsafstand weet van zijn liefste laatste dochter die
    niet zegt wat hij horen wil

    Zoveel als Penelope op het punt staande zichzelf weg te geven weet van de zwerende onbekende
    zwerver aan haar hof Zoveel als een explosievenzelfmoordenaar in de metrocoupé weet
    van het roodharige meisje met de koortslip dat zijn oogopslag niet zoekt

    Zoveel als de enige zoon na het vallen van het mes weet van de kermende vader die hem leek te
    zullen kelen

    Zoveel en nog wel meer heb ik van u geweten

    Ik wist van u kortom heel veel zij het altijd nog minder dan de kerkvader toen die in zijn Belijdenissen
    schreef

    dat als u tegenover hem kwam zitten daar recht tegenover hem hij u zou vragen wanneer u kwam.

    De P.C. Hooft-prijs voor Otten is in meerdere opzichten een ja tegen een denken dat het leven omarmt. Geef ons heden ons dagelijks ja, daarin zou hij het Onze Vader willen hertalen. Want wie het leven bejaht, opent zich voor het mysterie en laat het wonder gebeuren.

    Ronald Klamer, Amsterdam, 31 maart 2014



    Dankwoord Willem Jan Otten

    Mijn laatste essay in boekvorm dateert van 2010 en heet Niets heb ik van mijzelf. Het ging over een voorbeeldige schrijver van vrije essays, Kees Verheul. Die dus niets van zichzelf heeft. Toch heb ik met het stuk geprobeerd om erachter te komen wat ik van Kees Verheul had. Dat was een manier om hem mijn dankbaarheid te betuigen. Ik ontveins niet dat ik erop hoopte zó te schrijven dat er lezers zouden zijn die vervolgens iets van mij zouden hebben, ook al heette het allemaal nog zo Niets heb ik van mijzelf. Achteraf realiseer ik me dat Kees Verheuls essayistiek bij uitstek een uitdrukking van dankbaarheid is. Met mijn stuk betuigde ik mijn dankbaarheid voor zijn dankbaarheid.

    Ik stuiter heden van dankbaarheid, en dat is beslist een woordbenemende ervaring, want volgens mij betekent een prijs krijgen dat degenen die hem je geven… jou bedanken. Dankbaarheid heeft iets galactisch: op de eerste knal volgt een uitdijend dankbaarheidsheelal. Je voelt aan je water dat het niet afdoende is om hier alleen u, jury en leden van de P.C. Hooft-commissie - uw dank plant zich voort, elke dank vraagt om wéér een dank…

    De verleiding is reëel om ten slotte niet bij iemand, maar bij iets te stoppen. Maar als ik dit dankwoord liet uitmonden in: bedankt evolutie!, of: bedankt genenpakket!, of: bedankt neurotransmitters voor jullie trouwe aan- en uitgeflikker in mijn brein!, dan zou mij iets niet gelukt zijn. Ik herhaal wat mijn vrouw een van haar personages in zijn laatste uur laat denken. Hij is stervende, een met schulden belaste man, die door een beroerte afatisch is geworden, en hij denkt: ‘Je kunt je dankbaarheid nu eenmaal niet in een gat gooien.’

    Essayistiek is een spel van dankbare schatplichtigheid. Dat was het meteen al, toen Montaigne in 1580 (precies een jaar voor de geboorte van P.C. Hooft) het woord essai muntte. De essayistische zucht gaat gepaard met het verlangen om gedachten te delen, te ontlokken en te genereren. Het is de voortzetting van de voortplanting met andere middelen. Zelfs al was Montaigne een echte ivorentorenbewoner, toch verbreekt hij per vrij, zelfonderzoekend essay zijn eenzelvigheid. Hoezeer alles ook geworteld is in de perceptie van de schrijver dat hij of zij de enige is die beseft wat er te beseffen valt (ongeveer zoals je zelf ook de enige bent die jouw dood zal sterven): het botte feit dat er schrijvend, in leesbare bewoordingen beseft wordt, verraadt het verlangen om niet de enige te zijn. En de eerlijkheid gebiedt ook de meest eigengereide beseffer om te erkennen dat er aan om het even welke gedachte altijd een eerdere gedachte vooraf is gegaan. Ieder besef is een herinnering: juist als het je verrast, denk je ‘waar heb ik het vandaan’. En hoe eerlijker, waarachtiger - honnêter, zou Montaigne zeggen - de essayist is, des te volmondiger zal hij erkennen dat hij het ’ergens’ vandaan heeft.

    Het is met je denken precies zoals met taal: begin is nooit begin. Zelfs je eerste zin had je bij uitstek niet van jezelf. Er is van meet af aan door je heen gedacht - en er valt wat voor te zeggen dat een essayistische geest zich kenmerkt door een scherp, soms zelfs tragisch, maar altijd gefascineerd besef dat je niet eigen werk bent.

    Dit is geen bescheiden gedachte - integendeel, het is een manier om jezelf voor te stellen als een onuitputtelijk reservoir van besef. Een essay schrijven kan een apocalyptisch werkje zijn - letterlijk: ontdekkend, blootleggend. Ook dit dankwoord is uit op iets wat ik nog moet uitknobbelen. In die zin is de essayistiek van het type dat dit jaar de P.C. Hooft-prijs heeft gekregen, zeker ook een improvisatiekunst, een vorm van jazz: zelfs al weet ik waar ik op uit wil komen, het is maar de vraag of ik er ook op zal stuiten.

    En waar ik nu op wil stuiten?
    Waarom weet ik niet, maar dat kan, of durf ik op dit moment nog niet te zeggen.
    Durven is voor elke beetje essayist een cruciaal woord. Aan je angst je belachelijk te maken herken je de gedachte die ontbloot moet worden.
    Ik moet mijn woorden nu zorgvuldig kiezen, want waar ik op uit wil komen is dat mijn dankbaarheid uitgaat naar u.

    Ik weet het, als ik dit, voor een zaal met tweehonderd lezers zeg, dan ontstaat er een soort gevleide kortsluiting. Mijn laatste dichtbundel heette Gerichte gedichten, en die staat van begin tot einde in de vousvoyerende tweede persoon, die overigens met een kleine letter geschreven wordt - om de mensen met een numineuze-hoofdletter-allergie niet af te schrikken. Ik ben niet vergeten dat ik, voor de Moederkerk mij tot zich trok, steevast in de slaapstand verviel als mij een tekst onder ogen kwam waarin Hij en U en Mijn met hoofdletters werden geschreven.

    Altijd wanneer ik een gericht gedicht voorlees zie ik wel iemand naast zich kijken als hij of zij ’u’ hoort - alsof ik me richt tot de buurstoel. Om met Augustinus te spreken: er is altijd één iemand méér aanwezig tussen de aanwezigen, en je kunt ervan op aan dat hij al weet wat je bedoelt.

    Augustinus is ermee begonnen - met zich schrijvend tot u te richten - en daarmee tot degene die hem aan het lezen is terwijl hij schrijft. En dus ook: tot degene die al weet wat hij, Augustinus, nog moet denken. En toen ik voor het eerst de Belijdenissen las - het boek waar de zelfonderzoekende, hardop denkende essayistiek mee begonnen is, 1500 jaar voor Montaigne - toen overkwam het ook mij: telkens wanneer ik ’u’ zag staan, kon ik niet anders dan even zeker weten dat ik bedoeld werd. Speciaal ik. Het kan zijn dat ik op een infantiele manier lees, en de dingen te rechtstreeks op mezelf betrek, maar het kwam erop neer dat ik, zuiver omdat ik aan het lezen was, en in dit taalspel opging, de plaats van de u in ging nemen. U werd.

    Ik probeer hier sindsdien op mijn wijze chocola van te maken. Er zijn gedachten die een leven richten, zegt Wittgenstein - volgens hem is het Laatste Oordeel zo’n gedachte. Het doet er volgens hem helemaal niet toe of zoiets bestaat als een heuse dag met engelenscharen en fiolen van toorn en een donderende stem - waar het om gaat is dat als je eenmaal ’ik zal geoordeeld worden’ denkt, je altijd aan oordeel onderworpen bent; je leven is gericht.

    Dat ik de ’u’ aan gene zijde van de Belijdenissen kon zijn; maar ook: dat ieder van u de ’u’ kunt zijn, bijvoorbeeld, van dit - dat is een overweldigende gedachte, die zich mengt met een beeld uit mijn kindertijd - een oerscène die voorafgaat aan alle besef dat er, uiteindelijk, een u is. Iemand die mij leest. Dit besef is niet ongedaan te denken, omdat het me richt.

    Als ik Rembrandt was dan zou ik, om het mysterie van deze lezer te verbeelden, niet de Lezende Titus hebben geschilderd, maar de Lezende Marijke.

    Want dit is de scène in kwestie: ik kan zelf nog niet lezen en ben vermoedelijk aan het tekenen, op de, door mijn artistieke moeder knalroze geschilderde, vloer van de verdieping in de Amsterdamse Rivierenbuurt. We schrijven 1956.

    Ik kijk op en zie mijn moeder - Marijke - zitten in de vensterbank. Mijn broer Michiel moet ergens zijn, laten we zeggen: hij is een middagslapende peuter in de kinderkamer achter. Op een of andere manier weet mijn herinnering zeker dat de zon laag staat, ik zit in een baan licht, ook mijn moeder wordt door het strijklicht aangeschenen, het is dus namiddag. De lege tijd voor de thuiskomst van mijn vader.

    Wat ik opkijkend zie is niets anders dan: mama, lezend, met in haar rug een kussen, ze past met haar opgetrokken benen precies op de vensterbank, aan de linkerzijde. Natuurlijk herinner ik me haar niet als jong - maar ik kan u kiekjes uit dat jaar overleggen, ze was 28, en oogde als 17, in winkels werd haar soms gevraagd: mag je broertje een stuk worst?

    Waarom is onachterhaalbaar: maar plotseling ontdek ik dat zij haar ogen heen en weer beweegt. Het strijklicht doet iets met haar ogen. Ze zijn normaal gesproken uitgesproken groen, thans goudachtig. Nu en dan brengt zij haar vingertop naar haar lip om de bladzij om te slaan. Ik moet op dat moment hebben kunnen kiezen tussen een aantal aanvechtingen - bijvoorbeeld de aandacht trekken, om opgemerkt te worden, om mijn tekening (een piramide plus palmboom plus poging tot kameel? Of de bruingroene vlek met harkjes aan weerszijden, die als ’Willem Jans eerste portret van papa’ bewaard is gebleven?) te laten zien - maar dat deed ik niet, althans niet meteen, althans, ik herinner me dat wat ik zag beeld werd, onverstoord, en dat ik - ik weet dat ik hier de grenzen van het herinnerbare overschrijd, en toch ga ik het beweren - ik herinner me dat ik wilde zijn wat ze las.

    Hoe herinnerbeelden in de loop van een leven opgeladen worden met betekenis; hoe deze lading opgewekt blijft worden door het aartsbeeld - het is allemaal even onachterhaalbaar als het ontstaan van besef uit taal. Ik heb leren lezen, niet lang daarna; ik ben een leeskind geworden, en ben, nog weer later, gaan begrijpen dat mijn moeders pupillen een tocht maakten, dat zij letterlijk letter voor letter een kilometerslang pad af ging, en figuurlijk: dat zij de besefweg van de schrijver aflegde. Ik ben daar nooit echt van bekomen, van de gedachte dat zich in het boek, dat een volkomen roerloos ding is, een weg bevindt. Een tijdsverloop. Iets wat pas bestaat als het wordt afgelegd - terwijl het eindresultaat, de aankomst, de te onthullen betekenis, er al integraal in is opgesloten… En dit verloop wordt voltrokken in het lezende bewustzijn van de lezer…

    En ik, die nog niet wist wat een woord was, een zin, een tekst, ik wilde woord, zin, tekst zijn - die mysterieuze, zwart-witte, papieren entiteit liggend op de schoot van een stille lezer en met naarstige, onverstoorbare oogbewegingen afgezocht. Wie de lezer zou zijn wist ik niet, u kent geen naam. Ik wilde onder uw zoekende ogen een stroom van besef worden.

    Mijn moeder keek overigens niet op, toen ze merkte dat ik haar dreigde te interrumperen. Ze bracht haar wijsvinger naar haar lippen en zei: ‘Even, Willem Jan, ik weet bijna wie het gedaan heeft.’

    U was er al voor ik kon lezen of schrijven - toen al moest en zou ik onder uw goudachtige, heen en weer bewegende ogen terechtkomen, u was een moeder die bijna wist wie het gedaan had
    U was er al, en toen ik, vele jaren later, zelf ging schrijven, was u er, vanaf de eerste zin, u, met uw volgende ogen die vonden wat zij zochten
    U bent er zoals, voor altijd roerloos in het gouden-eeuwse licht, het meisje dat de brief leest van haar liefde die nog niet weet dat zij zwanger is
    U bent er zoals het meisje, dat ooit in een documentaire vertelde hoe ze in Belgrado tijdens de bombardementen een dagboek begon te lezen, en Anne Franks Kitty werd
    U bent er, aan het eind van het vliegertouw, en het briefje van het Ida Gerhardtkind kruipt naar u omhoog
    U bent er zoals er ergens in de noordelijke Verenigde Staten één man is die de twaalf jaren lang ongeschreven brief van de slaaf Solomon kon lezen en begrijpen
    U bent er en niet uw bestaan is twijfelachtig, maar het mijne - als ik er niet van overtuigd kon zijn dat u er was, en bent, en zult zijn

    U hebt mij laten gaan de weg van alle taal,
    ik, opgeborrelde uit u,
    geweld kwam ik en klonk als blup
    en moest toen op in deze ene zin
    die al uit stromen was gegaan
    van boven naar benee en naar
    de leegte oostwaarts ook,
    ofschoon ik steeds een regel lager
    doorgelezen kon zo lang u las althans,
    maar u las sowieso zo lang ik was,
    zelfs toen ik sloom meanderde
    en dorst te talmen bij het ene punt
    waarop ik in het zicht van het omspoelende
    mij stelselmatig onbeantwoord meende
    want mijn vraag werd kolossaal:
    waarom was u mijn wel en ik de blup -
    juist toen moest ik er niet aan twijfelen
    dat u mij las, jouw wel was ik
    om te zijn teruggeweld uit jou.


    U dank ik; ik dank u.

    Willem Jan Otten



Naar de overzichtspagina

Delen