AKO-Literatuurprijs 1992

Ga direct naar

Rapport:

Tijdens de laatste vergaderingen van de jury bleek duidelijk dat er binnen de jury grote eenstemmigheid heerste ten aanzien van met name de grote kwaliteiten van de twee romans van de twee schrijfsters bij de zes genomineerden. De jury was unaniem van mening dat één van deze twee romans de prijs diende te krijgen. Ook bleek dat de jury vrijwel unaniem was in haar beslissing welke van die twee romans de prijs diende te krijgen, maar spijt het haar dat de bekroning van één der schrijfsters helaas onvermijdelijk inhoudt dat de andere schrijfster niet bekroond kan worden. Beide schrijfsters hebben een aangrijpende roman geschreven, die uitmunt door superieur taalgebruik en die vragen opwerpt die dwingen tot nadenken en tot het zoeken naar antwoorden. Voor beide schrijfsters geldt ook dat zij een vrouwelijke hoofdpersoon hebben gekozen van wie de zelfstandigheid en de lichamelijke integriteit worden geschonden. De keuze was dus, gegeven de overeenkomst wat betreft thematiek, niet eenvoudig. Eén der romans was echter wat de structuur betreft hoogst origineel van opzet en bleek, waar men de roman ook opensloeg, door het taalgebruik altijd te noden tot verder lezen. Dientengevolge gaat de AKO Literatuurprijs dit jaar naar de roman Eerst grijs dan wit dan blauw van Margriet de Moor.

Met Eerst grijs dan wit dan blauw, de eerste roman van Margriet de Moor, overtreft de schrijfster zelfs de zo beloftevolle verhalen die zij hiervoor publiceerde. Zij schetst in stemmig, sensitivistisch proza, dat trefzeker de complexe ervaringswereld van de personages oproept, een ijle, autistische wereld waarin de vijf hoofdpersonen, in eigen verwarring en isolement verstrikt, als tot eenzaamheid gedoemde planeten in een weids heelal elkaar wel kunnen waarnemen, maar nauwelijks kunnen bereiken. De afstand tot de ander is haast niet te overbruggen. Het motto van de roman - Ich fühle luft von anderem Planeten - vertaalt zich in het werk onnadrukkelijk als astronomische metafoor die perfect weergeeft welke visie de schrijfster op het menselijk leven heeft. Deze visie moge onthutsend en weinig vertroostend zijn, maar typerend is dat de enige persoon in deze roman die echt autistisch is, de jongen Gaby, door de zoveel oudere vriendin op het spoor gezet wordt van studie van de sterrenhemel, welke studie de kiem van bevrijding uit het autisme in zich draagt. Het is alsof de schrijfster met deze metafoor wil zeggen dat bestudering van het ongenaakbare heelal van het mensenleven ons kan redden.

En met deze roman laat zij, in een discrete, suggestieve, aansprekende stijl, waarin op bescheiden wijze doordringende levenswijsheid en treffende menselijke levenservaring zonder een schijn van spektakelzucht of literaire aanstellerij verwoord worden, vervolgens zien hoe zijzelf zo'n studie maakt. In de vier gedeelten van het werk worden wij achtereenvolgens ingeleid in de levens van vier verschillende personen: twee mannen, één vrouw en één kind. Wij zien en volgen deze mensen van binnenuit, waarbij de raadselachtigheid van hun werkelijkheid complex en intact blijft, zonder dat de schrijfster daarbij beroep doet op een sprookjesachtige of surrealistische weergave van de werkelijkheid. De enige, nogal schokkende trouvaille waar de schrijfster gebruik van maakt om haar visie te verwoorden is de beschrijving van een moord, maar deze brute ingreep wordt perfect aannemelijk gemaakt door de onnadrukkelijke, maar tegelijkertijd ook onontkoombaar naar voren gebrachte visie dat mensen elkaar nooit werkelijk kennen, ook al leven ze jaren lang als man en vrouw met elkaar. De man die voor de tweejarige afwezigheid van zijn vrouw zelf geen verklaring heeft, en ook niet op een verklaring van haar mag rekenen, bezwijkt ten slotte onder deze druk.

In de lange beschrijving van de vlucht van Magda laat de schrijfster zien dat zij ook momenten van gelukzaligheid weet te verwoorden en in dit gedeelte van de roman laat zich zelfs een zekere joyeusheid gelden die, hoe verdienstelijk en verkwikkend, de beklemmende werking van de twee voorgaande gedeelten van het vierluik verlicht.

Zowel wat het taalgebruik als de opbouw betreft is de roman hoogst origineel te noemen. Hier is een nieuwe vorm van de monologue intérieure geschapen (die de lezer overigens toch niet de verwachte toegang tot het binnenste van de romanpersonages verschaft), men zou het een monologue extérieure kunnen noemen, waar de voorname, en toch nooit plechtstatige stijl zich schitterend voor leent. In technisch opzicht valt een uitgekiende opeenvolging van de gezichtspunten van de personages waar te nemen. Er is sprake van functionele afwisseling van heden en verleden, en de vertelling wordt soms onderbroken door evocerende passages, wisseling van ik-, hij-en jij-persoon: dit creëert beweeglijkheid in een weldoordachte structuur. In deze roman peilt Margriet de Moor, met een lichte verwondering over de gebeurlijkheden van mensen op doortocht in hun bestaan, naar de waarde en de werking van essentiële levenservaringen. Een roman, kortom, van zeldzame overtuigingskracht waarin een weliswaar desolate, maar niet zwartgallige levensbeschouwing onder woorden wordt gebracht in een met bewonderenswaardige beheersing en grote luciditeit geschreven verhaal.

De jury:
dr. W.F. Duisenberg, voorzitter
Jos Borré
Maarten t'Hart
prof. dr. Elrud Ibsch
drs. Gerda Meijerink


Winnaar

  • Margriet de Moor - Eerst grijs dan wit dan blauw

    Met Eerst grijs dan wit dan blauw, de eerste roman van Margriet de Moor, overtreft de schrijfster zelfs de zo beloftevolle verhalen die zij hiervoor publiceerde. Zij schetst in deze roman een autistische wereld waarin de vijf hoofdpersonen, in eigen verwarring en isolement verstrikt, als tot eenzaamheid gedoemde planeten in een weids heelal elkaar wel kunnen waarnemen, maar nauwelijks kunnen bereiken. het motto van de roman - "Ich fühle "Luft von anderem Planeten" - vertaalt zich in het werk onnadrukkelijk als astronomische metafoor die perfect weergeeft welke visie de schrijfster op het menselijk leven heeft. Deze visie moge onthutsend en weinig vertroostend zijn, maar typerend voor de visie van de schrijfster is dat de enige persoon in deze roman die echt autistisch is, de jongste Gaby, door de zoveel oudere vriendin op het spoor gezet wordt van de studie van de sterrenhemel, welke studie de kiem van bevrijding uit het autisme in zich draagt. Het is alsof de schrijfster met deze metafoor wil zeggen dat bestudering van het ongenaakbare heelal van het mensenleven ons kan redden.

    En met deze roman laat zij vervolgens zien hoe zij zelf zo'n studie maak. In de vier gedeeltes van het werk worden wij achtereenvolgens ingeleid in de levens van vier verschillende personen: twee mannen, één vrouw en één kind. Wij zien en volgen deze mensen van binnenuit, waarbij de raadselachtigheid van hun werkelijkheid complex en intact blijft zonder dat de schrijfster daarbij beroep doet op een sprookjesachtige of surrealistische weergave van de werkelijkheid. De enige, nogal schokkende trouvaille waar de schrijfster gebruik van maakt om haar visie te verwoorden is de beschrijving van een moord, maar ook deze brute ingreep wordt perfect aannemelijk gemaakt in de loop van dit met bewonderenswaardige beheersing en grote luciditeit geschreven verhaal.

    In de lange beschrijving van de vlucht van Magda laat de schrijfster zien dat zij ook momenten van gelukzaligheid weet te verwoorden en in dit gedeelte van de roman laat zich zelfs een zekere joyeusheid gelden die, hoe verdienstelijk en verkwikkend ook, overigens enigszins ten koste gaat van de beklemmende werking van de twee voorgaande gedeeltes van het vierluik.

    Zowel wat het taalgebruik als de opbouw betreft is de roman hoogst origineel te noemen. Hier is een nieuwe vorm van de monologue intérieure geschapen - men zou het een monologue extérieure kunnen noemen - waar de voorname, en toch nooit plechtstatige stijl zich schitterend voor leent. Als er al een aanmerking op deze roman gemaakt zou kunnen worden, dan is het dat er voor humor in deze wereld weinig plaats is en dat er dientengevolge soms een geur van hoogdravendheid valt op te snuiven, maar dat wordt volledig goedgemaakt door de zeldzame overtuigingskracht waarmee een weliswaar desolate, maar niet zwartgallige levensbeschouwing onder woorden wordt gebracht.

Genomineerd

  • Eric De Kuyper - Grand Hotel Solitude

    Rapport Eric De Kuyper:
    In Grand Hotel Solitude, het vierde deel van een autobiografische cyclus, brengt Eric de Kuyper het België van de late jaren vijftig in beeld, de periode die hij typeert als de jaren van zijn "verbanning" naar Antwerpen. Zij beslaat de jaren van zijn puberteit waarin hem, de wat achteloze en soms naïeve adolescent, keuzes worden voorgelegd in verband met "Geloof, Seksualiteit en Toekomst". De evocatie van zijn persoonlijke leven is gesitueerd tegen de achtergrond van de grote gebeurtenissen uit die tijd ( de onderdrukking van de Hongaarse opstand, de Wereldtentoonstelling in Brussel in 1958) en wordt afgewisseld met indringende bespiegelingen over het wezen en de functie van de kunst.

    Zeer subtiel schetst Eric de Kuyper zijn groei, vanuit zijn bewondering voor de wereld van de film en het theater, naar zijn artistieke volwassenheid en zijn essentiële overtuiging dat de kunst de werkelijkheid sublimeert tot een fascinerende ervaringswereld voor de verbeelding. Ook introduceert de auteur zijn afzijdige hoofdfiguur behoedzaam, via de beroezende lichamelijkheid in de artistieke expressie, in een referentiekader waarin hij zijn latente homoseksualiteit kan duiden. Deze innerlijke ontplooiing wordt versneld door de Wereldtentoonstelling, die de nieuwste culturele stromingen concentreert en tot uiting brengt, en hem dirigeert in zijn keuzes. Tegelijk blijkt deze gebeurtenis voor heel België een mentaliteitsverandering te concretiseren, die overmoedig wordt aangevoeld als de aanzet tot een realisatie van een groots toekomstvisioen.

    In dit zeer beeldend geschreven verslag van een adolescentie zit een knap tijdsbeeld verwerkt van een periode waarin allerlei culturele invloeden van buitenaf het aanzien van het leven in België hebben veranderd. Eric de Kuyper spreidt een bijzondere gevoeligheid en opmerkingsgave tentoon voor de processen die de ontwikkelingen zowel op persoonlijk als op maatschappelijk gebied hebben gestimuleerd. Zijn proza treft de lezer bovendien door de zeer persoonlijke, intimistische en toch ook afstandelijk observerende toon, door de evocatieve kracht en de intellectuele en culturele rijkdom.

  • Nico Dros - Noorderburen

    Rapport Nico Dros:
    De roman Noorderburen van Nico Dros speelt zich af in het begin van de negentiende eeuw. Een aristocraat die een opstandig pamflet tegen de Franse overheersing heeft geschreven, wordt voor drie jaar verbannen naar een afgelegen nederzetting in het noordelijke deel van Texel. Hij treft er schamele, bijgelovige mensen, die hun weinig benijdenswaardige lot lijdzaam ondergaan. Onder invloed van nieuwe denkbeelden tracht de hoofdpersoon de dorpelingen uit hun achterlijke isolement te bevrijden: hij onderricht ze, leert ze hoe ze zich tegen de natuurelementen kunnen beveiligen en vervangt hun verlammend bijgeloof geleidelijk door rationalisme, ondernemingszin en emancipatie. Noorderburen gaat over de eenzame, verbeten stijd, met vallen en opstaan, van een verlichte enkeling met de remmende krachten van een behoudsgezinde gemeenschap. In dit concrete geval voltrekt zich ook een grote historische ontwikkeling.

    Het verhaal evolueert dwingend naar een spannende climax toe, waarin de vrouw van de hoofdpersoon een bevalling met complicaties tegemoetgaat en hij, tijdens een nachtelijke sneeuwstorm, tracht met haar een dokter te bereiken. Deze wanhopige inspanning om het kind ter wereld te brengen, een meeslepend vertelde krachtmeting tussen mens en natuur, symboliseert de moeilijke geboorte van een nieuwe tijd die hij probeert door te drukken, het vooruitzicht van een "nieuwe, grootse filosofie van de geest", de overwinning van de rede en de democratie op de onderworpenheid.

    In Noorderburen is prachtig de strijd tussen de duisternis en de Verlichting uitgebeeld in de tijd waarin die de strijd aan de orde was. Nico Dros brengt dit verhaal in een authentieke stijl, met een fraseologie die perfect is aangepast aan de historische situering en het behandelde gedachtengoed. Hiermee vindt hij opnieuw aansluiting bij de oorspronkelijke epische traditie. De jury bewondert in dit gave debuut in het bijzonder de knappe opbouw, de krachtige symboolwerking en het fraaie Nederlands van de auteur.

  • Nelleke Noordervliet - Het oog van de engel

    Rapport Nelleke Noordervliet:
    Het einde van de achttiende eeuw, enkele jaren voor de Franse revolutie: in Haarlem groeit een meisje op dat door haar vader onderwezen wordt in de beginselen van de moderne wetenschap. Zij is getuige van een demonstratie van de elektriseermachine die door het Teyler Genootschap is aangeschaft. De explosie die met behulp van het instrument wordt opgewekt is symbolisch voor de explosieve politieke krachten die in heel Europa onrust en oproer teweegbrengen.

    Elisabeth Lestevenon gaat, gedwongen door de nationale onlusten, met haar vader en haar doofstomme zusje de weg terug die haar hugenootse voorouders wegens weer andere onlusten hebben afgelegd: ze komt in Noord-Frankrijk terecht en vervolgens in Parijs. Daar is zij niet alleen ooggetuige van de gebeurtenissen die aan de Grote Omwenteling voorafgaan, zij neemt er ook actief aan deel. Als 'zieneres" geeft zij seances waarbij zij zich ternauwernood handhaaft op het slappe koord dat tussen bedrog en waarheid is gespannen.

    Het oog van de engel is een historische roman die terugvoert naar een verleden dat een onontkoombare gelijkenis vertoont met het heden: tweehonderd jaar later staat opnieuw het waarden- en normenstelstel op de helling, is Europa in beweging geraakt, is een oude orde ongeldig geworden en is men op zoek naar een idee, een ideologie wellicht, die een leidraad zou kunnen zijn voor de toekomst.

    Zijn we erop vooruitgegaan in die tweehonderd jaar? Is de wereld beter, rechtvaardiger geworden? Heeft het rationele en humane principe gezegevierd en zijn we de irrationele krachten de baas geworden? De fragmentarisch vertelde roman van Nelleke Noordervliet stelt deze vragen aan de orde, het historisch verhaal is de mantel waarin een filosofisch vertoog gehuld gaat. Dit vertoog is opgebouwd volgens het socratische, dialogische principe.

    In de figuur van Elisabeth Lestevenon zijn de gedachten, gevoelens en ervaringen van een epoche geconcentreerd. Dat deze concentratie in de figuur van een vrouw plaatsvindt, voegt aan de socratische dialoog een dimensie toe: de wrijving tussen de krachten van waarheid en leugen, van goed en kwaad, van liefde en bereking ervaart Elisabeth Lestevenon namelijk aan den lijve. Enerzijds uit de tegenstrijdigheden der dingen zich in de vorm van een gezwel dat haar rechteroog - haar zienersoog - tot monstrueze proporties doet opzwellen, anderzijds komt de paradox tot uitdrukking in de verkrachting waarmee haar zelfstandigheid en haar lichamelijke integriteit worden geschonden. Het vrouwelijke lichaam is in deze roman de maat der dingen en de uitkomst van het onderzoek is negatief. Of is er toch , tenslotte, in deze roman nog een sprankje hoopop de kracht van de liefde?

    Nelleke Noordervliet heeft een belangwekkend en aangrijpend boek geschreven dat van begin tot einde boeit. De vragen die zij opwerpt dwingen tot nadenken en tot het zoeken naar antwoorden. Zij reikt het materiaal daartoe met gulle hand aan. Haar kortaangebonden zinnen geven het wezenlijke weer, nergens is sprake van overbodige geschrijf. Sfeer in stemmingen, het beeld van de tijd zet zij met korte, sterke streken neer. Veel wordt ter invulling overgelaten aan de lezer, die precies genoeg informatie en ruim genoeg impulsen krijgt om de sprongen in het verhaal te kunnen volgen.

    Het oog van de engel is een roman die diep bewogen ernst maakt met de crises van onze tijd. Door het superieure taalgebruik in deze roman wordt alvast één crisis, die van de zogenaamde ontoereikendheid van de taal als communicatiemiddel, op overtuigende wijze bedwongen.

    Het zienerschap van de figuur Elisabeth Lestevenon dat zich in deze roman beweegt tussen polen waarheid en bedrog, vindt zijn parallel in wat zich bij Nelleke Noordervliet als verbeeldingskracht voltrekt tussen de polen werkelijkheid en fictie. Een grote prestatie!

  • Jacq Vogelaar - De dood als meisje van acht

    Rapport Jacq Vogelaar:
    De dood als meisje van acht verdraagt geen snelle lezer die zich naar de ontknoping van het verhaal toehaast. Het boek vraagt om een geduldige lezer, liefst een die zich de moeite van een tweede lezing getroost, om de kracht van het lyrische proza tot zich door te laten dringen en de patronen ervan te herkennen. Toch is ook het verhaal in dit werk van Vogelaar duidelijk te volgen, een verhaal geschreven vanuit het perspectief van het meisje ( van acht) wanneer de volwassen vrouw zich bij haar bezoek aan het dorp van haar kinderjaren overgeeft aan de gruwelen van de herinnering.

    De centrale woorden die door de klank met elkaar zijn verbonden en het netwerk van betekenissen vormen zijn: dood en acht, Nora en Mona, Moorgat en oorlog, boom en modder. Half-vreemd en half-vertrouwd in deze reeks is het woord/de naam "de moeder" (steeds met bepalend lidwoord) en als een schrille dissonant een andere naam, Strätter. Deze dissonant motiveert het zwijgen van de moeder op de vragen van het kind: "Mijn vader?" "Hij?" "Waarom ben je uit de stad A. weggegaan?"

    De moeder is naar Moorgat vertrokken, en wel in 1943 of 1944. Deze eenvoudige gegevens van plaats, tijd en eigennaam vormen het raamwerk voor een streekroman die tegelijks oorlogs- en familieroman is (dit laatste echter in de Freudiaanse betekenis, die inhoudt dat een kind in zijn wensdromen naar andere ouders verlangt). Het dorp staat vijandig tegenover vreemden, maar indien een vreemdeling moeite doet zich aan te passen (zoals de moeder), dan is men welwillend en concentreert men zijn haat op het "echt" vreemde: de welhaast mythische gestalte Mona, die met Jean plotseling in de plaats opduikt en door uiterlijk en gedrag een wantrouwen wekt dat later tot geweld uitgroeit.

    Met de vernietiging van Mona door de vlammen zijn tevens het houvast en de liefde van het kind Nora vernietigd, dat nu teruggeworpen wordt in de wereld van walging en leugens waaruit zij door Mona (een droomvrouw?) trachtte te ontkomen. Met lyrische precisie (men herinnere zich Nietzsche: "Man schreibt nur im Angesichte der Poesie gute Prosa") wordt beschreven heo het kind zich in deze wereld beweegt, waarin de normen van het dorp bijvoorbeeld eisen dat gekookt wit spek van een vers geslacht varken niet vol wanhoop wordt afgewezen en waarin er nimmer een waarachtig antwoord wordt ontvangen op de vragen die men stelt aan de naaste, de vreemde: de moeder.

    De kracht van deze roman van Vogelaar is dat er iets tegen dood en leugens is opgewassen en dat is de dichterlijke taal, die taal die de plaats inneemt van verzwijgen en niet-weten.

  • Joost Zwagerman - Vals licht

    Rapport Joost Zwagerman:
    Vals licht kan worden beschouwd als de eerste twintig-eeuwse fin-de-siècle-romans uit de negentiende eeuw het geval was - denk aan Zola - wordt ons hier een beeld gegeven van de "gevallen vrouw". In de vorige eeuw had zij vaak nog een gouden hart, maar hier wordt zij complexer en raadselachtiger uitgebeeld.

    Vals licht is daarnaast een uitstekende realistische, zelf bijna naturalistische roman waarin de overigens ten onrechte veelgesmade spruitjesgeur (spruitjes ruiken heerlijk) van de Nederlandse letteren vervangen is door de geur van hasj en andere drugs. Zoals dat in vele naturalistische romans het geval was, wordt ons hier de hoofdstedelijke werkelijkheid getoond via de ogen van een jongeman die van buiten komt - uit de provincie afkomstig is en evenals de prtagonist van Les illusions perdues van Balzac zijn illusies verliest. Toch schuilt de triomf van deze, aan zoveel indrukwekkende voorbeelden uit het verleden herinnerende roman niet in de eerste plaats in de uitbeelding van hoofdpersoon Simon Prins, want deze overigens weinig adellijke figuur onderscheidt zich niet wezenlijk van zovele andere Nederlandse en buitenlandse romans naar de hoofdstad des lands trekken.

    Wat echt nieuw is in Vals licht is de uitbeelding van Lizzie Rosenfeld. Zij mag dan in haar leugenachtigheid sterk doen denken aan haar naamgenote Lizzie Eustace uit The Eustace diamonds van Anthony Trollope, maar haar hardheid én gevoeligheid, haar ongrijpbaarheid én haar rechtlijnigheid worden kanp en overtuigend beschreven. Zij roept zowel deernis als walging op; zij is de meest levende, meest complexe en ook meest ontroerende figuur uit deze roman. De beschrijving van haar lot is een bijna sociologische analyse van een even tragische als onontkoombaar afglijden naar een nooit verhoopte bestemming, waarbij zij overigens - en ook dat is nieuw - niet eindigt in de afgrond, niet vermoord wordt of zelfmoord pleegt. De beschrijving van haar verhouding met Simon Prins mag dan, zoals diverse critici schreven, niet volledig overtuigend zijn, maar dat komt ook doordat de verhouding zelf niet overtuigend kan zijn.

    Hoewel de roman hier en daar plechtstatig geschreven is en Zwagerman soms terugvalt op retorische formules, heeft de roman in zijn beste scènes vaart en grote overtuigingskracht. Speciaal dient daarbij de beschrijving van de avond op het politiebureau gememoreerd te worden. Daar laat Zwagerman zien dat hij ook een overtuigende mannelijke protagonist weet te schetsen (Jasper). De roman als geheel is aangrijpend, ontroerend en gedurfd in zijn poging om een reeds zo vaak behandeld thema nieuw leven in te blazen.

Naar de overzichtspagina

Delen