Dichteres Ellen Warmond overleden

Gepubliceerd: 29-06-2011

‘Haar werk moedigt ons aan om te geloven dat we de gevaren en spanningen van lichaam en geest niet hoeven te zien als een uitgangspunt voor verdriet en woede, maar als een vertrekpunt van waaruit we onszelf en de wereld waarin we leven aan een onderzoek kunnen onderwerpen.’ Dat schreef de jury van de Anna Bijns Prijs 1987 in haar rapport over het oeuvre van Ellen Warmond. In dat oeuvre ‘vindt de lezer een nooit verflauwende drift om van binnen uit, het zelf in de wereld te onderzoeken’.

Eenzaamheid
Het werk van Warmond, die in 1930 als Pietronella Cornelia van Yperen werd geboren en gisteren na een lang ziekbed is overleden, bestond in hoofdzaak uit gedichten. Zij debuteerde in 1953 met de bundel Proeftuin, die werd gevolgd door Naar men zegt (1955) en Weerszij van de wereld (1957). In zijn recensie van Weerszij van de wereld wees Paul Rodenko op de invloed van Hans Lodeizen en Gerrit Achterberg in de eerste twee bundels en die van Hans Andreus en Lucebert in de derde. Toch vond hij haar stem authentiek klinken, waarbij de titel van de derde bundel de thematiek treffend samenvat: ‘De poëzie van Ellen Warmond is een poëzie van eenzaamheid, de meest radicale, lichamelijk beleefde eenzaamheid: de brievenbus is het enig overgebleven communicatiemiddel met de Ander; een indirecte, papieren communicatie, een communicatie via lettertekens.’

Twijfel
Haar vijfde bundel, Warmte, een woonplaats (1961), werd bekroond met de Jan Campert-prijs. In die bundel wordt het geluk, zo meldde de Nieuwe Rotterdamse Courant, ‘van het begin af aan al verstoord, de mogelijkheid ertoe bijna geheel verijdeld door de twijfel of het er wel werkelijk is, en door de angst het onmiddellijk weer te verliezen’. In datzelfde jaar 1961 verscheen ook de roman Paspoort voor Niemandsland, over een 27-jarige, zwaartillende kunstschilder die door het lot voortdurend op de proef wordt gesteld. Aan het slot rent hij wanhopig over straat, ‘als een haas, waarop van alle kanten geschoten wordt’.

Tranen en alsem
De eenzaamheid, het besef van machteloosheid en van de ontoereikendheid van iedere vorm van communicatie blijven voorname thema’s in het werk van Warmond. Titels als Testbeeld voor een koud klimaat (1966), Implosie (1976) en Gesloten spiegels zijn daarvoor typerend. Van kwaad tot erger (1968) is een bundel met oorspronkelijk voor de krant geschreven schetsen en jeugdherinneringen. Haar pen daarin ‘is gedoopt in tranen en alsem,’ schreef Clara Eggink. Door de herkenning roepen ze bij de lezer toch ‘een gevoel van opgewekt meesmuilen’ op. ‘Jaja, zo is dat nu eenmaal, terwijl er toch zoveel sombers en gruwelijks tussen de regels in staat.’ Tegenspeler tijd uit 1979 en Persoonsbewijs voor inwoner (1991) brachten selecties uit haar gedichten.

Kaalslag
Kaalslag (1999), verschenen na acht jaar stilte, was haar laatste bundel. De somberheid is daarin nog extra aangezet door het besef van de beperkingen van de ouderdom. Warmond die jarenlang medewerker was van het Letterkundig Museum, heeft in de loop der jaren ook meegewerkt aan een twaalftal Schrijversprentenboeken.

Tekst en copyright: Jef van Gool / Literatuurplein