Aya Zikken overleden

Gepubliceerd: 23-03-2013

In haar woonplaats Norg in Drenthe is vrijdag Aya Zikken overleden, op de dag dat in Boekhandel Van Stockum in Den Haag de biografie over haar leven Alles is voor even door biograaf Kees Ruys werd gepresenteerd. Zij is 93 jaar oud geworden. ‘Uit haar op autobiografische gegevens gebaseerde proza wordt duidelijk, hoe er al bij het kind dat zij was een allesoverheersende behoefte bestond de werkelijkheid te herscheppen door middel van de verbeelding.’ Dat schreef de jury die haar in 1997 voordroeg voor de Anna Bijnsprijs. Veel van haar werk vond zijn oorsprong in haar kinderjaren op Sumatra en Java.

Batavia
Toen zij zes was, verhuisde het gezin van de in 1919 in Epe geboren Aya Zikken naar Indië. In Batavia zat zij in de klas met Hella S. Haasse en Margaretha Ferguson. In Voor het vandaag werd (2000) tekende ze haar herinneringen op aan beide schrijfsters en aan andere auteurs met wie ze in de jaren zestig, of eerder, optrok. In 1939 reisde ze met haar familie weer terug naar Nederland. Haar vader, moeder en zusjes maakten meteen rechtsomkeert naar Indië, waar ze later in de kampen zouden belanden. Dat lot bleef Aya bespaard, maar zij voelde zich allerminst thuis in Zeist, waar ze bij een familie verbleef.

Polenta
Zij debuteerde in 1954 (34 jaar oud) met Het godsgeschenk onbegrepen, een novelle die ze in enkele dagen had geschreven. In hetzelfde jaar volgde de roman Als wij groot zijn, dan misschien, over een huwelijk dat na twintig jaar alle frisheid en innigheid heeft verloren. Een ongeluk drijft de echtelieden uit elkaar: de een overnacht in een berghut, de ander gaat een arts halen. Gescheiden van elkaar komen ze tot inzicht. In 1955 volgde Alleen polenta vandaag, een roman die was gebaseerd op een reis naar Italië, waar ze zich met koeken van maïsmeel (polenta) in leven had moeten houden. Medio jaren vijftig beleefde het boek herdruk na herdruk.

Bizarre wereld
Eind jaren vijftig kreeg zij een reisbeurs voor Israël. In een interview met Xandra Schutte in De Groene Amsterdammer in 1997 vertelde ze dat die reis haar leven had veranderd. ‘Ik had voor het eerst weer het gevoel van vrijheid dat ik uit de tropen kende. Ik kreeg er een enorm heimwee naar Indonesië.’ Ze realiseerde zich dat ze in het oosten noch in het westen paste. ‘Ik leef tussen die werelden in.’ De reis werd de inspiratie voor Hut 277 (1962). Na terugkeer in Nederland ging ze weg bij haar man en nam haar intrek op een piepklein kamertje. Over die tijd heeft ze geschreven in de roman ‘s Morgens en ‘s avonds niet bellen (1969). Over het begin van haar carrière als schrijfster en het vervolg ervan en over Collega’s als Reve schreef ze in het autobiografische Bizarre wereld (2007).

Atlasvlinder
Pas na veertig jaar keerde zij voor het eerst terug naar het land van haar jeugd. Een reisbeurs stelde haar in staat naar Lahat te gaan, het dorp in het zuiden van Sumatra waar haar roman De atlasvlinder (1958) zich afspeelt. Het relaas van die reis publiceerde ze in 1981 als Terug naar de atlasvlinder. ‘Ik sliep in kampongs, at in warongs langs de kant van de weg. Ik kwam atlasvlinders tegen maar ook nieuwe mensen, oude huizen, herinneringen en vooral mezelf,’ zei ze over dat boek. De komst van de atlasvlinder is volgens het Indische geloof een voorteken van grote veranderingen, een haast magische gebeurtenis. Zo ook in De atlasvlinder.

Nooit meer zoals het was
De roman De Tanimbar-legende (1992) speelt op de eilanden Kei en Tanimbar in de Molukken in de periode na de Japanse bezetting. Het is tot op zekere hoogte het levensverhaal van de vader van Aya Zikken na zijn verblijf in het kamp. De legende vertelt het verhaal van de verdwenen gouden oorhangers die, toen ze waren teruggevonden, hun glans verloren bleken te hebben. Zo is het ook met de mensen die de oorlog hebben overleefd. Iets is er verloren gegaan waar vroeger alles om draaide: de kruidige smaak, de gouden glans, de groene geur. En al vertoont zich geen atlasvlinder, er dreigen veranderingen en nooit meer zal het worden zoals het was.

Ongerepte natuur
Na De Tanimbar-legende heeft zij ook in De tuinen van Tuan Allah (1998), een reisverhaal in romanvorm, over haar vader geschreven. Daarin gaat zij op de Kei-eilanden op zoek naar de plaatsen waar hij kort na de oorlog heeft gewerkt. Het boek geeft tevens een impressie van de ongerepte natuur van de eilanden. In Landing op Kalabahi (1997) herinnert de ongereptheid van het eiland Alor haar aan het landschap van haar jeugd. Aan de hand van de dagboeken die zij bijhield van haar elfde tot haar negentiende, schrijft ze een licht geromantiseerde autobiografie. De roman Indische jaren (2001) vertelt het verhaal van haar ouders, die Indië als hun nieuwe thuisland ervoeren.

East and West
In 2004 verscheen haar roman Odjongs eiland. Bij de gesprekken die zij op haar zeventiende in Batavia met haar vader had, kwam op een avond ter sprake of het wel goed te keuren was dat ze zo vaak ging fietsen en feesten met een indojongen. Haar vader citeerde voor het eerst de woorden ‘East is East and West is West. And never the twain shall meet.’ En hij vertelde haar toen over zijn moeilijke en tragische vriendschap met Odjong, een jongen van gemengd bloed. Ze veranderde het citaat van haar vader meteen in ‘Forever the twain shall meet.’

Tekst en copyright: Jef van Gool