Vlaamse auteur en publicist Joris Gerits overleden

Gepubliceerd: 27-07-2016

‘Als een vorm van zelfverweer en om mezelf staande te houden, ben ik begonnen met schrijven,’ zei Joris Gerits in 2008 in een interview in Mededelingenblad van de Leuvense Germanisten. ‘Zo kon iedereen mijn verhaal lezen. Ook de mensen die aan mijn persoonlijk relaas niet veel boodschap hebben, maar misschien wel aan de bredere ervaring.’

Dagboek
Op 5 maart 2005 begon hij aan een dagboek dat hij tot 4 maart 2006 zou bijhouden en in 2007 zou publiceren als 365. Dagboek. Eind 2003 was bij hem slokdarmkanker geconstateerd. Herstel volgde na chemo- en radiotherapie en een operatie, maar inmiddels was zijn tweede huwelijk op de klippen gelopen. ‘Gerits worstelt met de dagelijkse ongemakken van het leven van een vrijgezel - een wasmachine die het niet doet - en vooral met de psychiatrische problemen van een van zijn zonen, die als schizofreen wordt verpleegd en er met zijn dertig jaar maar niet in slaagt om op eigen benen te staan,’ schreef Karel Hellemans in zijn recensie van het boek in Knack. Tegenover het verdriet staan in het dagboek ook momenten van geluk. Troost voor de eenzaamheid vindt Gerits in het werk van de dichters die hem zeer dierbaar zijn.

Meedogenloze zelfanalyse
Hellemans besluit zijn recensie met de vaststelling dat ‘het bij mijn weten in de Nederlandse literatuur nog niet is gebeurd dat een professor zo onverbloemd zichzelf dissecteert, zoals Gerits dat hier doet… De talloze fragmenten uit de overwegend Nederlandstalige poëzie trekken weliswaar een scherm op van schone woorden tussen hemzelf en de harde buitenwereld, maar Gerits is niet te beroerd om van achter zijn paravent uit te komen. Dat resulteert meer dan eens in prozaïsche zinnen vol meedogenloze zelfanalyse…’

Dichter
Joris Gerits, gisteren overleden in Bonheiden, was in 1943 geboren in Vilvoorde. Na de middelbare school aarzelde hij tussen een aantal studies en koos uiteindelijk voor Filosofie, als priester (jezuïet) in opleiding. In 1967 stapte hij over op de studie Germaanse Filologie aan de KU Leuven en trad vervolgens ook uit de jezuïetenorde. In 1980 promoveerde hij op een proefschrift over de Antwerpse dichter Hugues C. Pernath. Vijfentwintig jaar later bezorgde hij met Marleen Smeyers en Yves T'Sjoen een nieuwe uitgave van diens verzamelde gedichten. In 2014 debuteerde hij zelf als dichter met Fuga, bestaande uit zes cycli met (op de laatste cyclus na) elk zeven gedichten, geïnspireerd op het gedicht ‘The Head-Spider’ van de Australische dichter Les Murray.

Hoogleraar en bestuurder
Tot zijn emiraat op 1 oktober 2008 was hij hoogleraar aan de Universiteit van Antwerpen, waar hij Nederlandse taalbeheersing, rechtstaalbeheersing en moderne Nederlandse letterkunde doceerde. Tevens was hij redacteur van het cultureel maatschappelijk maandblad Streven (waarin hij van 1992 tot 2003 een vaste rubriek over poëzie verzorgde), secretaris van het Hugues C. Pernathfonds, lid van de raad van bestuur van het Genootschap Gerard Walschap en van PEN-Vlaanderen en voorzitter van het Vlaams Fonds voor de Letteren. Bij de editie 2007 van de Prijs der Nederlandse Letteren (door Jeroen Brouwers geweigerd) en de editie 2010 van de Libris Literatuur Prijs was hij jurylid.

Tekst: Jef van Gool / Literatuurplein