Louis Ferron overleden

Gepubliceerd: 26-08-2005

‘Louis ligt op dit moment in het ziekenhuis wegens maagbloeding en een ontsteking aan de alvleesklier. Als alles meevalt is hij over 4 weken weer thuis…’ Dat schreef de vrouw van Louis Ferron op 28 juli in de nieuwsrubriek op de website van de schrijver. Op 5 en 6 augustus meldde zij dat hij ernstiger ziek was dan aanvankelijk was gedacht. Vandaag berichtte zijn uitgeverij De Bezige Bij dat hij aan kanker is overleden. Hij is 63 jaar geworden.

Louis Ferron werd in 1942 als Karl Heinz Beckering in Leiden geboren. Hij was de zoon van een Duitse vader die al lang in Nederland woonde. Nadat die voor de Duitse militaire dienst was opgeroepen, bracht de jonge Louis de rest van de oorlog door in Bremen. Door bemiddeling van Het Rode Kruis werd hij na de oorlog weer teruggebracht naar Nederland, waar zijn grootouders zich over hem ontfermden. Daarna zou hij een deel van zijn jeugd doorbrengen op internaten en bij pleegouders. Na de mulo wilde hij schilder worden, maar onder impuls van zijn toenmalige vrouw (de dochter van Oscar Timmers en Lizzy Sara May, met wie hij op zijn achttiende was getrouwd) koos hij voor het schrijverschap. Hij publiceerde gedichten in Maatstaf en De Nieuwe Stem en in 1967 zijn eerste dichtbundel, Zeg nu zelf, is dit ontroerend.

Zeven jaar later volgde een tweede bundel, Grand Guignol. In Gekkenschemer, zijn eerste roman, verschenen in datzelfde jaar 1974, komen min of meer dezelfde thema’s aan de orde. In zijn verlangen als hofzanger te worden erkend, raakt een imitator van vogelgeluiden die leeft in het Duitse keizerrijk ten tijde van Bismarck, verzeild in een entourage die lijkt op die van de Beierse koning Ludwig II en de componist Richard Wagner. Ook in de romans Het stierenoffer (1975) en De keisnijder van Fichtenwald (1997) worden met een groteske toets en in een barokke stijl perioden uit de Duitse geschiedenis belicht, respectievelijk de Eerste Wereldoorlog en de Weimar Republiek en de Tweede Wereldoorlog. In 2002 bracht De Bezige Bij deze ‘Teutoonse trilogie’ in één band uit.

‘Het feit dat ik mijn vader niet gekend heb, ik denk dat dat er mee te maken heeft, dat ik mij het Duitse verleden heb willen toeëigenen. (…) Alleen heb ik die vader veel groter gemaakt. Heel Duitsland heb ik ervan gemaakt.’ Dat zei Ferron in 1986 in een interview met Willem M. Roggeman over zijn fascinatie voor Duitsland. Ook in romans als Turkenvespers (1977) en De Gallische ziekte (1979) draaide het om de Duitse geschiedenis, die hij overigens wel naar zijn hand zette. In Turkenvespers bijvoorbeeld ondergaan de historische gegevens de vreemdste veranderingen, aldus Lies Wesseling in ‘Louis Ferron en de historische roman’. Zo wordt Keizer Franz Jozef die in werkelijkheid op vreedzame wijze is gestorven, in de roman op een paal gespiest. ‘De buitensporige vrijheden die Ferron zich permitteert in zijn bewerkingen van historisch materiaal maken duidelijk dat hij zich er in het geheel niet om bekommert de schijn van historische betrouwbaarheid te wekken. Zelfs die elementen uit zijn werk die de lezer kent als “echt” worden op provocatieve wijze met fictie besmet.’ In De ballade van de beul (1980) stak Ferron voor het eerst de grote plas over. Hij vertelt daarin het verhaal van een acteur die na louter bijrollen de hoofdrol krijgt in een western. De geschiedenis van dat genre wordt en passant ook uit de doeken gedaan. De 70-jarige Charles Rethel, hoofdpersoon in Hoor mijn lied, Violetta (1982), is eveneens een antiheld. In het levensverhaal van deze gewezen leraar Duits staat zijn opportunistische collaboratie met de Duitsers centraal.

De roman Karelische nachten (1989) werd bekroond met de vierde AKO Literatuur Prijs. Karelië is het grensgebied tussen Finland en Rusland waar de vader van de schrijver Fred Hofzanger in 1942 als vrijwillige Oostfrontstrijder sneuvelde. Voor Fred wordt het een mythologisch voorland waarin hij met een vriend uit zijn kostschooltijd ronddwaalt en waarheen hij in zijn verbeelding zijn rauwe seksuele initiatie verplaatst. Die is van verwoestende invloed op zijn latere leven. Voor De walsenkoning kreeg Ferron vier jaar later de F. Bordewijkprijs. Deze roman, met de ondertitel Een duik in het autobiografische diepe, is de eerste van enkele autobiografische, in Haarlem gesitueerde romans. Zoals hij eerder historische gebeurtenissen in een fictionele context plaatste, deed hij dat hier met feiten uit zijn eigen bestaan. Ook in Een aap in de wolken (1995) en Viva Suburbia (1998) heet de protagonist Ferron.

Terwijl hij in De oefenaar (2000) de ondergang tekende van een individu, een germanist die zich al te zeer identificeert met zijn onderwerp van studie, de Duitse dichter Clemens von Brentano, beschreef hij in Het overspelige gras (2002) de neergang van een landadellijke familie in de Achterhoek. In Werken van barmhartigheid (2003) had hij, zoals Arjan Peters schreef in de Volkskrant, zijn pen weer in gal gedoopt om zijn stad Haarlem ‘welbespraakt met de karwats te geven’. Een verslaggever die een serie reportages over een misdaad in Haarlem wil schrijven, komt daarbij in contact met een eigenzinnige juridische adviseur.

In 2001 werd Ferron bekroond met de Constantijn Huygensprijs voor zijn hele oeuvre, waartoe ook essays, toneelstukken en libretto’s behoren. ‘Ik heb de naam een moeilijk auteur te zijn,’ zei hij twee jaar geleden in een interview met Hans Hoenjet in HP/De Tijd. ‘Hoe hilarisch ik ook schrijf, dat stigma raak ik maar niet kwijt. (…) Bij mij is alles ordening, niets is toeval. Ik hecht aan de vorm: het moet zingen. Ik wil dat er in mijn boeken bezeten personages aan het woord zijn.’ Deze week verscheen zijn laatste roman Niemandsbruid.