Criticus en essayist Kees Fens overleden

Gepubliceerd: 15-06-2008

‘Mijn uitvaart heb ik al geregeld. Die stel ik me vooral sober voor. Een gregoriaanse mis in de Krijtberg. De jezuïetenkerk. Geen preek. Niets over mij, niets persoonlijks. Ik lig niet in die kist in die kerk omdat ik zo veel stukjes heb geschreven. Dat doet niet ter zake. Ik lig daar, omdat ik bij de kerk wil horen. Die kerk hoort onverbrekelijk bij mij, al is er een periode van twintig jaar geweest dat ik niet meer naar de mis ben gegaan.’

Dat zei Kees Fens onlangs in een gesprek met H.M. van den Brink en Rachel Visscher dat is opgenomen in het juni-julinummer 2008 van De Gids, een themanummer Hemel en aarde, in aansluiting bij het Holland Festival. Gisteren is hij, 78 jaar oud, overleden in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam. Hij was er drie weken geleden vanwege een longziekte opgenomen.

Paulus-moment
Kees (voluit: Cornelis Walterus Antonius) Fens was in 1929 geboren in Amsterdam. Toen hij tien was, zag hij op een schoolplaat een scriptorium, de ruimte waarin in de Middeleeuwen monniken boeken overschreven. In het interview in De Gids noemde hij dat een ‘Paulus-moment’. Hij werd toen geconfronteerd met een afgezonderde, een gesloten, ‘ideale wereld’. ‘De wereld van de Middeleeuwen op die plaat, en die van het oude christendom waarover ik later leerde, gaven het gevoel dat ik er thuis was gekomen.’ Een jaar of drie later ontdekte hij via het werk van Antoon Coolen en nog wat later Slauerhoff de literatuur, waarna hij zich ook altijd thuis zou blijven voelen in de wereld van het boek. Zijn eerste literaire kritieken schreef hij in 1955 voor het katholieke weekblad De Linie. Vijf jaar later stapte hij over naar het dagblad De Tijd. In 1962 richtte hij met H.U. Jessurun d’Oliveira en J.J. Oversteegen het literair tijdschrift Merlyn op. Dat stond aan de basis van de academische close reading. De persoonlijkheid van de auteur en de criticus blijven daarin buiten beeld.

Maandagochtendrubriek
Sinds 1968 schreef Kees Fens voor de Volkskrant, tot 1977 als vast criticus. Vanaf 1978 berichtte hij over boeken die hij zelf van belang vond en ook over vele andere onderwerpen. Zijn maandagochtendrubriek werd door de Universiteit van Amsterdam die hem in 2004 een eredoctoraat verleende, een standaard genoemd voor de Nederlandse literaire kritiek. Zijn stukken groeiden uit van louter boekbesprekingen tot essays, waarvoor een boek vaak slechts een aanleiding was. Veel schrijvers heeft hij onder de aandacht gebracht van het grote publiek en heel wat academische proefschriften kregen door zijn stukken bredere interesse. Voor zijn literaire kritieken heeft hij diverse prijzen ontvangen, waaronder de Prijs der literaire kritiek 1962 en de P.C. Hooftprijs 1990.

Sport
‘Ik kan me mijn leven niet voorstellen met alleen literatuur. Ik moet er nog een paar andere dingen naast doen.’ Dat zei Fens in een interview in 1982, toen hij (als eerste niet-academicus) aan de universiteit van Nijmegen tot hoogleraar Moderne Nederlandse letterkunde werd benoemd. Een van die andere dingen was de sport. Onder eigen naam heeft hij columns over sport geschreven, die in 1980 werden gebundeld in Waarom ik niet tennis (en ook niet hockey). Als A.L. Boom schreef hij essays over allerlei onderwerpen. Twee boeken verschenen onder dat pseudoniem: De eenzame schaatser : doorslagen van De Tijd (1978) en Mijnheer en mevrouw Aluin & andere tussenteksten (1981).

Bundelingen
Zijn kritieken, essays en andere stukken zijn verder gebundeld in onder meer De eigenzinnigheid van de literatuur (1964), De gevestigde chaos (1966), Tussentijds (1972), Oliver Hardy als denker (1982), Voetstukken (1991), Leermeesters (1994), Lijden, liefhebben en schrijven (2002), Dat oude Europa (2004) en In het voorbijgaan (2007). Zijn inleiding in De regel van Augustinus (2005) en nawoord in Het evangelie volgens Lucas ; De handelingen van de apostelen : in de Nieuwe Bijbelvertaling (2006) getuigen van zijn interesse voor de religie en verbondenheid met het erfgoed van het christendom.

Kijk op kritiek
Stratenboek (2002) is een bundeling van vijfentwintig essays over straten waaraan hij bijzondere herinneringen bewaarde. Samen vormen al die straten een ‘innerlijke plattegrond’ van zijn ideale stad. Het dit jaar verschenen Het geluk van de brug : het Amsterdam van Kees Fens bevat columns over zijn geboortestad. Op weg naar het schavot was het Boekenweekessay dat hij vorig jaar op verzoek van de CPNB schreef. Bij zijn eredoctoraat werd hem Kijk op kritiek : essays voor Kees Fens aangeboden, met daarin vijfentwintig essays over de literaire kritiek. Tom van Deel en H.U. Jessurun d’Oliveira prijzen hem daarin vanwege zijn grote betekenis voor de literaire kritiek.

Morgenavond om 23.50 uur wordt in Het uur van de wolf op Nederland 2 Kees Fens, erfgenaam van een lege hemel uitgezonden, een documentaire die Hans Keller over hem heeft gemaakt.

Tekst en copyright: Jef van Gool / Literatuurplein