Christine D’Haen overleden

Gepubliceerd: 05-09-2009

‘Een onmodieuze, volstrekt eigenzinnige toon en thematiek’. Dat kenmerkte, volgens de jury die haar de Prijs der Nederlandse Letteren 1992 toekende, het oeuvre van Christine D’Haen. De jury die haar een jaar eerder had voorgedragen voor de Anna Bijns Prijs, prees haar om haar ongewone vormbesef en haar verdienste bij het in ere herstellen van een dichtkunst van verheven formaat. ‘Haar poëzie kenmerkt zich door een ongewone eruditie, een groot poëzie-technisch vernuft, een enorme taalrijkdom en een vrouwelijke verbeeldingskracht van een ongeziene zinnelijke en zintuiglijke geladenheid.’

Rangschikken
Christine D’Haen, donderdag op 85-jarige leeftijd overleden te Brugge, was in 1923 geboren in Sint-Amandsberg. Na de studie Germaanse Filologie gaf ze Engelse les op een middelbare school in Brugge. Van 1970 tot 1982 werkte ze in het Guido Gezelle Archief in die stad aan het inventariseren van de handschriften van de dichter. Dat zou onder meer resulteren in De wonde in ’t hert (1987). In deze met de Henriëtte de Beaufort-prijs onderscheiden biografie ‘vertelt’ ze niet het levensverhaal van Gezelle, ze brengt het in beeld door het rangschikken van commentaren, brieven en citaten. ‘Een verhaal kan en wil ik niet schrijven,’ zei ze daarover.

Verwijzingen
Haar eerste gedicht publiceerde ze in 1948 in het literaire tijdschrift Dietsche Warande en Belfort. Tien jaar later verscheen haar eerste bundel, Gedichten 1946-1958, door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde bekroond met de Van der Hoogt-prijs. Dood en vergankelijkheid zijn terugkerende thema’s in haar poëzie, maar ook voor meer levenslustige zaken als erotiek en liefde ruimde zij veel plaats in. In haar gedichten maakte ze het de lezer verre van makkelijk. De talrijke verwijzingen naar de klassieke mythologie, naar het joodse en christelijke erfgoed en naar de wereldliteratuur, het wat ouderwets aandoende taalgebruik en de klankstapelingen vergen de nodige inspanning.

Aantekeningen
Zij voorzag haar bundels dan ook vaak van verklarende aantekeningen. In Morgane (1995) besloegen die niet minder dan acht pagina’s, niet alleen met toelichtingen maar ook met interpretaties. In een bundel als Mirabilia (2004) heeft ze alle commentaar achterwege gelaten, in tegenstelling tot Innisfree (2007), haar laatste bundel, genoemd naar het bekende gedicht van William Butler Yeats. In Miroirs, verschenen in 2002, bundelde ze haar gedichten tot dat jaar. Over haar poëzie schreef Paul Claes in 1986 De Kwadratuur van de Onyx. Over zijn werk schreef zij op haar beurt het essay De zoon van de Zon (1997).

Collage
Haar prozadebuut Zwarte sneeuw werd in 1990 genomineerd voor de AKO Literatuur Prijs. Stukje bij beetje geeft ze daarin een impressie van haar jeugd: het katholieke milieu waarin ze opgroeide, de geheimzinnigheid rondom seksualiteit en de frustraties die daaruit voortkwamen. Het is geen vloeiend verhaal dat ze vertelt maar een collage van dagboekfragmenten, herinneringen en aantekeningen die als sneeuwvlokken op de lezer neerdalen. In Duizend-en-drie (1992), een tweede bundel fragmentarisch proza, zijn de korte fragmenten vervangen door wat langere, verdeeld in afdelingen over vrouwen, poëzie, proza en mannen. In de middelste afdelingen schetst zij de geschiedenis van haar eigen literaire ontwikkeling en smaak.

Uitgespaard zelfportret
In deze autobiografie in scherven volgden nog Een brokaten brief (1992), Een paal, een steen (1996), Kalkmarkt zes (1999) en Het huwelijk (2003). In Uitgespaard zelfportret : verzameld proza (2004) bundelde zij herziene versies van deze zes autobiografische teksten, aangevuld met vier niet eerder gepubliceerde miniaturen. Tom van Deel noemde het ‘een van de bijzonderste boeken ooit in onze taal verschenen’.

Tekst en copyright: Jef van Gool / Literatuurplein