Kleine kroniek van Marga Minco blijkt onvergetelijk

Gepubliceerd: 31-01-2014

Volgende week donderdag verschijnt de vijftigste druk van Het bittere kruid van Marga Minco, zo meldt uitgeverij Prometheus. Deze ‘kleine kroniek’, zoals de ondertitel luidt, is sinds de publicatie in 1957 bijna altijd in druk geweest. Zo dateert de negenenveertigste druk pas van vorig jaar. Het boek is bovendien in meer dan twintig talen vertaald.

Onderduik
In april 1943 werden de ouders van Marga (toen nog Sara) Minco uit hun huis in het Amsterdamse ‘Judenviertel’ gehaald. Via het doorgangskamp Westerbork werden ze naar Sobibor gedeporteerd. Bij hun aanhouding was zij zelf ternauwernood ontkomen. Ze dook onder bij haar broer Dave die onder een valse naam met zijn vrouw Lotte ook in Amsterdam woonde. Toen Lotte op weg naar een nieuw onderduikadres werd opgepakt, gaf Dave zich ook aan. Sara moest alleen onderduiken, eerst bij een daglonersgezin in Nieuw-Vennep en daarna in een pottenbakkerij in Heemstede. In augustus 1944 betrok ze met Bert Voeten en een aantal andere onderduikers een leegstaand huis aan de Kloveniersburgwal in Amsterdam.

Overlevende
Sinds haar laatste familielid was verdwenen, kende ze zelf geen angst meer. ‘In de oorlog liep ik gewoon op straat,’ zei ze in 1974 in een interview met Ischa Meijer in de Haagse Post. ‘Mijn haar was gebleekt, ik deed geen moeite me te verbergen. Vanaf het begin dat ik ondergedoken was, was er een soort fatalisme over me gekomen.’ Na de oorlog blijkt dat zij en een oom (een broer van haar vader die ongemoeid was gelaten omdat hij met een niet-joodse vrouw was getrouwd) de enige overlevenden zijn van de familie. In het interview met Meijer zei ze dat ze zich in die tijd wilde inspinnen in haar oorlogsverleden: ‘Dat behept zijn met die schuldgevoelens. Die stemming-van-na-de-oorlog, zo van: nu-breekt-er-een-geweldige-tijd-aan - dat verdrong mij. Ik wilde alleen gelaten worden.’

Nagedachtenis
In het begin van de jaren vijftig schreef ze onder meer verhalen voor Mandril, Critisch Bulletin, Haarlems Dagblad en Het Parool. Terwijl ze in verwachting was van haar tweede dochter, Jessica, die in februari 1956 werd geboren, voltooide ze het manuscript van Het bittere kruid. Het boek (in mei 1957 verschenen in de Ooievaarreeks van Bert Bakker) is opgedragen ‘aan de nagedachtenis van mijn ouders, Dave en Lotte, Bettie en Hans’. In de beleving van een kind vertelt het de navrante geschiedenis van haar familie in de oorlog.

Subliem
Niet omwille van het onderwerp maar om de behandeling en de beheersing ervan, sober, eenvoudig, geserreerd, zonder sentimentaliteit of pathetiek, vindt Het bittere kruid een grote weerklank. Juist door het understatement heeft het een dramatische werking, ‘die bij de lezer de zinloosheid van de Joodse tragedie als een mes in het geheugen kerft,’ zoals Kees Fens het omschreef in zijn recensie in De Linie. C.J.E. Dinaux noteerde: ‘In zijn waardigheid is dit kleine boekje een groot boek. In zijn innigheid een onvergetelijk boek. In zijn vormgeving - maar wie denkt nog aan “vorm” als het het bestorven verdriet is dat schrijft - een subliem boek.’

Onvergetelijk
Onvergetelijk inderdaad… Duidelijker dan door het verschijnen van de vijftigste druk in 57 jaar kan dat niet worden geïllustreerd.

Tekst: Jef van Gool / Literatuurplein

Foto Klaas Koppe: Marga Minco in 1987