Verslag: Boekpresentatie nieuwe poëziebloemlezing van Ilja Leonard Pfeijffer in de OB Amsterdam

Gepubliceerd: 18-11-2016

Donderdagavond 17 november werd de nieuwe bloemlezing van Ilja Leonard Pfeijffer ten doop gehouden in de theaterzaal van de Openbare Bibliotheek Amsterdam. In De Nederlandse poëzie van de twintigste en de eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten, uitgegeven door Prometheus te Amsterdam, verzamelde Ilja Pfeijffer bijna 1400 gedichten, van de late negentiende eeuw tot en met de allerjongste dichters van vandaag.

Onno Blom leidde de avond, die werd ingeleid door Prometheus-uitgever Mai Spijkers. Hij vertelde dat hij Ilja Pfeijffer had aangezocht om een opvolger van de beroemde bloemlezing van Gerrit Komrij samen te stellen. Spijkers herinnerde aan het verschijnen van de eerste druk van die bloemlezing in 1979, toen Komrij het aan de stok kreeg met een aantal Vijftigers dat een proces aanspande wegens de auteursrechten van een aantal van hun opgenomen gedichten. Uitgeverij Bert Bakker, met Mai Spijkers als jonge stagiair, had niet alle rechten goed geregeld. Maar feitelijk ging die rechtszaak niet over auteursrechten maar over botsende poëzieopvattingen. Na Komrijs polemische keuze uit 1979, werd de bloemlezing met elke herdruk steeds meer vooral een naslagwerk, vooral met de editie uit 2004. Daarom was het volgens de uitgever tijd voor een opvolger.

Drie dichters die opgenomen zijn in de bloemlezing lazen tijdens de avond voor: de regerende Nederlandse Dichter des Vaderlands Anne Vegter, voormalig Dichter des Vaderlands van België Charles Ducal en de allerjongste dichter die in de bloemlezing staat: Hannah van Binsbergen. Uit de vragen van Onno Blom over hun oordeel over de selectie bleek dat ze alle drie wel tamelijk verrast waren door de keuzes die de bloemlezer uit hun werken had gemaakt.

Onno Blom interviewde de bloemlezer vervolgens. Pfeijffer stelde dat hij geheel in de geest van Komrij geen enkel respect voor gevestigde reputaties in acht had genomen, dus ook niet voor Gerrit Komrij. Als jonge dichter verorberde hij de bloemlezingen van Komrij, vertelde Pfeijffer, maar toen hij er eenmaal zelf in stond, was de glans er voor hem wel een beetje af. Komrij is wel met het maximale aantal van twaalf gedichten in de bloemlezing opgenomen, volgens Pfeijffer eenvoudig omdat hij één van onze beste dichters is. En Pfeijffer wou dat graag laten zien, omdat Komrij bescheidenheidshalve altijd maar één gedicht van zichzelf opnam. Een voorbeeld dat Pfeijffer volgde door één gedicht uit zijn laatste bundel Idyllen op te nemen. De eer van het maximum van twaalf geselecteerde gedichten is ook toebedeeld aan Annie M.G. Schmidt, Gerrit Achterberg, H.H. ter Balkt, Hugo Claus, Lucebert, M. Nijhoff en Paul van Ostaijen. Van de levende dichters zijn Erik Jan Harmens en Tonnus Oosterhoff in Pfeijffers eregalerij opgenomen. Pfeijffer had ook twaalf gedichten willen opnemen van Gerard Reve, maar diens weduwnaar gaf geen toestemming. Onno Blom concludeerde daarop, tot hilariteit van de zaal, dat de stagiairs van Prometheus dus tegenwoordig wel een stuk beter zijn in het correct afhandelen van de auteursrechten.

Pfeijffer resideerde voor zijn bloemlezing in het voorjaar van 2016 langdurig in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Daar had hij een aantal verrassende vondsten gedaan, zoals de dichter A.J.D. van Oosten, die hij amper kende en die hij nu ruim heeft opgenomen in de bundel. Arno Kuipers van de KB dankte de bloemlezer tot slot voor zijn komst naar de nationale bibliotheek, omdat daardoor het belang van het nationale boekendepot weer eens werd onderstreept.

Tekst: Arno Kuipers/Literatuurplein