Geschiedenis van de Nederlandse literatuur voltooid

Gepubliceerd: 19-01-2017

Na twintig jaar intensieve letterkundige arbeid door neerlandici als Frits van Oostrom, Herman Pleij en Jacqueline Bel is de nieuwe Nederlandse literatuurgeschiedenis eindelijk voltooid. Om dat te vieren vond op 17 januari een feestelijke bijeenkomst plaats in de Kloosterkerk in Den Haag met neerlandici, redacteuren én 'echte' auteurs.

Met het verschijnen van het achtste deel - de nabeschouwing Ongeziene blikken door de hoofdredacteuren Anne Marie Musschot en Arie Jan Gelderblom -is het grote literatuurhistorische Vlaams-Nederlandse project Geschiedenis van de Nederlandse literatuur onder de hoede van de Nederlandse Taalunie na twintig jaar nu eindelijk compleet. Eind vorig jaar verscheen al het laatste historische deel, De weg naar het binnenland van Tom Verschaffel, over de literatuur van de achttiende eeuw in Vlaanderen.

Meerdelige literatuurgeschiedenis
Een reeks sprekers kwam tijdens de feestelijke voltooiing aan het woord. Als eerste sprak uitgever Mai Spijkers van Prometheus die in 1997 de uitdaging aanging om een grote, meerdelige literatuurgeschiedenis uit te geven. Spijkers vertelde dat hij het als een uitgelezen kans zag om zijn jonge uitgeverij een steviger fundament te geven en zich ook in de non-fictie-hoek te profileren. Hij zwaaide behalve de hoofdredacteuren en de afzonderlijke auteurs van de delen ook uitbundig lof toe aan zijn eigen redacteur voor het project, Marieke van Oostrom, en aan vormgeefster Tessa van der Waals. Die lof werd door alle andere sprekers volmondig onderstreept.

Afscheid van ‘de Knuvelder’
Uiteraard trad ook Frits van Oostrom op als spreker. Hij nam als auteur maar liefst twee delen van deze literatuurgeschiedenis voor zijn rekening: Stemmen op schrift over de literatuur van het allervroegste begin tot 1300 en het vervolgdeel Wereld in woorden, over de Nederlandse literatuur van 1300 tot 1400. Van Oostrom herinnerde aan de illustere voorgangers van deze reeks: de literatuurgeschiedenissen van Jonckbloet, Te Winkel, Kalff, Baur en Knuvelder en hij concludeerde dat met de voltooiing van deze reeks van de Taalunie nu ook een generatie neerlandici afscheid nam die zelf nog was geschoold met ‘de Knuvelder’ bij de hand. En hij adviseerde het publiek een willekeurig onderwerp uit de oude Knuvelder eens te vergelijken met de behandeling van hetzelfde onderwerp in de nieuwe literatuurgeschiedenis. Dan zou, met alle kritiek die op de reeks mogelijk is, volgens hem toch iedereen wel onder de indruk moeten zijn van de grote vooruitgang. Juist ook door het sterke verhalende karakter van deze literatuurgeschiedenis. Van droge opsommingen van feitjes is geen sprake. Van Oostrom prees ook de hoofdredacteuren die gedurende twintig jaar alle bureaucratische en culturele barrières wisten te slechten. En hij stelde voor voortaan over ‘de’ Musschoot-Gelderblom te spreken, maar dat bekte helaas niet lekker. Ook ‘De Gemu’ zou het waarschijnlijk niet worden.

Literaire invloeden
Na Van Oostrom kreeg schrijfster Niña Weijers het woord. De jonge auteur van het zeer geprezen debuut De consequenties was gevraagd om als auteur het woord te voeren over haar gedachten over haar plaats ten opzichte van de literaire voorouders. Zij noemde expliciet Cees Nooteboom en Frans Kellendonk als inspirerend, maar eigenlijk was het hele gebied van mogelijke invloeden op een auteur onpeilbaar groot. Weijers vertelde over een collega-auteur die niets las, uit angst voor andermans invloed en omdat deze collega bang was dat iemand al beter had opgeschreven wat in haar hoofd zat. Weijers was het volledig met deze collega oneens. Je kunt je volgens Weijers niet onttrekken aan invloed en ze verwees daarbij naar het beroemde essay Tradition and the individual talent van T.S. Eliot, waarin het autonome genie wordt gerelativeerd ten gunste van de invloed van de keten van voorgangers.

Provinciale studenten Nederlands
Na Weijers volgde een andere jonge auteur met een mooi verhaal: Emy Koopman, die in 2016 debuteerde met de roman Orewoet. ‘Orewoet’ is een sleutelbegrip in het werk van de middeleeuwse mystieke dichteres Hadewijch en het heeft vele betekenissen. Het heeft te maken met begeerte en vurigheid, maar ook met woede en waanzin. Koopman gebruikte dit veelkantige woord voor haar roman, waarin begeerte en waanzin ook in elkaar overvloeien, maar ze bekende in de Kloosterk niet eens zo veel van Hadewijch te weten. Koopman had dan ook geen Nederlands gestudeerd, maar – net als Weijers – Algemene Literatuurwetenschap. Voor buitenstaanders nauwelijks verschillende studies, maar voor studenten was het een verschil van dag en nacht. Koopman vertelde hoe zij en haar medestudenten eigenlijk een beetje neerkeken op die provinciale studenten Nederlands met hun armzalige eng-nationalistische taalgebiedje, terwijl zij kosmopolieten de wereld verkenden, met doorwrochte studies van Franse theoretici onder de arm. Maar de nieuwe literatuurgeschiedenis bewees volgens Koopman dat deze neerlandistiek helemaal niet provinciaals is en dat Nederland en Vlaanderen juist allesbehalve als eilandjes worden behandeld. Ook was ze blij verrast door de aandacht voor alle schrijvende Nederlandse en Vlaamse vrouwen in deze literatuurgeschiedenis.

Tot over honderd jaar!
Na muzikale intermezzo’s van zangeres Stefka en een bevlogen pleidooi voor meer literatuur in het onderwijs door de directeur van het Vlaams Fonds voor de Letteren, Koen van Bockstal, was het woord aan de hoofdredacteuren Anne Marie Musschoot en Arie Jan Gelderblom. Ze memoreerden het begin van het project, precies twintig jaar geleden. Op 17 januari 1997 werd de onderneming gestart met een grootse bijeenkomst van neerlandici in Den Haag. De verwachting was toen dat men binnen tien jaar heel veel zou kunnen doen, maar het duurde uiteindelijk twintig jaar. Volgens de redacteuren was dat voor zo’n immens project eigenlijk niet te lang. Voor zoiets is nu eenmaal een lange adem nodig. De hoofdredacteuren hoopten in ieder geval dat hun werk nog veel gebruikt zou worden. De geschiedenis zou wel uitwijzen welke plaats zij naast Jonckbloet, Te Winkel, Kalff, Baur en Knuvelder zouden krijgen toegewezen. Nadat het eerste exemplaar van het laatste deel was aangeboden aan oud-secretaris van de Taalunie Greetje van den Bergh werd de middag afgesloten met een vrolijk ‘Tot over honderd jaar!’

Tekst: Arno Kuipers/Literatuurplein