Letterkundig Museum verwerft correspondentie Maurits Dekker

Gepubliceerd: 05-12-2003

Het Letterkundig Museum heeft bekendgemaakt dat het van de erven van Maurits Dekker (1896-1962) een reiskoffer vol brieven in bruikleen heeft gekregen. Daarin bevinden zich brieven van Nederlandse schrijvers als Hendrik Marsman, Jan de Hartog, Martinus Nijhoff, Willem Kloos en Theun de Vries, evenals bijvoorbeeld een brief uit 1950 van Albert Einstein.

Maurits Dekker is de auteur van een van de grote mystificaties in de Nederlandse letteren. Nadat zijn vier eerste boeken hooguit in negatieve zin waren opgemerkt, gaf hij in 1929 Waarom ik niet krankzinnig ben, een pastiche op het werk van Dostojevski, uit als een uit het Russisch bewerkte roman van Boris Robazki. Hij smaakte het genoegen dat een recensent die niets in zijn werk zag, uitpakte met superlatieven. Op aanraden van Marsman die in maart 1931 in De Vrije Bladen had geschreven dat er geen enkele reden was dat de schrijver ‘onbekend’ of ‘miskend’ zou blijven, maakte hij zich als de auteur bekend.

Daarop volgde een aantal romans die werden gekenmerkt door een sterk maatschappelijk engagement, vaak over mensen die geestelijk of materieel in de verdrukking waren gedrongen. Na de publicatie van zijn brochure Hitler : een poging tot verklaring werd hij in 1938 veroordeeld tot een boete van honderd gulden vanwege de ‘belediging van een bevriend staatshoofd’. Tot zijn bekendste werken behoren De laars in de nek, meteen na de bevrijding verschenen, en het toneelstuk De wereld heeft geen wachtkamer (1949), over de dreiging van een atoomoorlog.